Mali

Op reis voor Right To Play

uit: Jesse Goossens, Right To Play

 

Het is halfvier in de ochtend als ik wakker schrik van een omroepbericht. Het duurt even voor ik me realiseer dat ik in het vliegtuig zit dat drieëneenhalf uur geleden vertrok uit Casablanca.

‘Dames en heren,’ klinkt het door de intercom, eerst in het Arabisch en dan in het Frans. ‘Wij hebben de landing naar Bamako ingezet. U wordt allen vriendelijk verzocht de rugleuning van uw stoel omhoog te zetten en uw riemen vast te maken.’

Om mij heen worden ook de andere passagiers wakker. Vrouwen in felgekleurde wijde jurken met bijbehorende ingewikkelde hoofdwindsels. Mannen in een traditionele Afrikaanse boubou – een lange jurk die ze over hun broek dragen – of in driedelig kostuum. Het vrolijke geroezemoes wordt steeds luider als vanuit het vliegtuigraam de lichten van Bamako zichtbaar worden.

Mijn oren protesteren klikkend tegen de scherpe daling die het vliegtuig maakt. Ik kan de landingsbaan al zien en het toestel lijkt nog maar een paar meter van de grond verwijderd, als opeens de motoren als een razende beginnen loeien en alle passagiers achterover in hun stoel worden gedrukt omdat het vliegtuig met een ruwe beweging weer omhoog wordt getrokken.

De lichten van Bamako worden steeds kleiner en verdwijnen ten slotte uit het zicht.

 

Wat is er aan de hand? Het is doodstil in het vliegtuig. De schermpjes in het gangpad, waarop tijdens de vlucht te zien was hoe hoog, hoe ver en hoe hard we vlogen, laten alleen nog maar een testbeeld zien.

Er is geen stewardess te bekennen en noch de piloot, noch de purser laat iets van zich horen. Twintig minuten kruipen tergend langzaam voorbij. Het vliegtuig zwenkt nu eens naar links, dan weer naar rechts. Niemand durft iets te zeggen.

Dan schrikt iedereen op van een hels kabaal: het landingsgestel wordt uitgeklapt. Kennelijk waren ze dat bij de vorige landingspoging vergeten. Dat zou een fikse buikschuiver zijn geweest!

Opnieuw daalt het vliegtuig. De lichtjes van de landingsroute komen weer dichterbij. Ik kan de rode aarde naast de geasfalteerde landingsbaan zien, en voel een rilling door het vliegtuig gaan als de wielen de grond raken. Er gaat een zucht van verlichting door de cabine; langzaam komen de gesprekken weer op gang, terwijl het vliegtuig naar de aankomsthal taxiet.

Ik ben in Mali.

**

Voor een hoge muur staat een bord met de bekende rode bal: Prends soin de toi, prends soin des autres – zorg voor jezelf, zorg voor elkaar. Bij het hek in de muur zit een Malinese jongen in een tuinstoel. Hij kijkt nauwelijks op als ik naar binnen ga. Hij is de bewaker van het kantoor van Right To Play.

Het kantoor, waar ook twee van de drie vrijwilligers wonen, is een witte vervallen bungalow met traliewerk voor de ramen en deuren tegen inbrekers. Binnen wordt de woestijnhitte verdreven door twee snel draaiende ventilatoren.

Op de lage banken zitten zes Malinese jongemannen en een vrouw. Ze zijn in bespreking met de medewerkers van Right To Play. Het zijn coaches die hebben meegewerkt aan een mazelencampagne.

In Mali is Right To Play bezig met een SportHealth programma. Dat betekent dat er niet alleen sport- en spelprogramma’s worden georganiseerd, maar dat Right To Play bovendien samenwerkt met allerlei andere organisaties – zowel Malinese als internationale organisaties – om ervoor te zorgen dat de gezondheidszorg in Mali verbetert.

 

Lees: Feest voor een prikje

 

Lees: Moussa en de marabou

 

Het buurthuis van de wijk Quinzambougou wordt omheind door een hoge muur. Het hek staat wijdopen. Op de speelplaats voor het buurthuis zijn een stuk of dertig jongens tussen de acht en vijftien jaar aan het spelen. Twee groepjes staan luidkeels tafelvoetbalwedstrijden aan te moedigen. Uit een oude gettoblaster komt zouk-muziek waarop gedanst wordt. Op een muurtje zitten twee jongens over een dambord gebogen en verderop bouwt een andere jongen een geweer van lego. Hij heft zijn hoofd op als hij op een fluitje hoort blazen. Onder een rieten afdakje staat een spelleider. Alle jongens rennen naar hem toe en gaan in een cirkel om hem heen staan.

Als ik rondloop om de activiteiten te bekijken, zie ik in een hoekje een blik liggen. De bovenkant is eraf gehaald. De roodwitte afbeelding op de zijkant begint weg te roesten.

‘Dat is het blikje van Moussa,’ hoor ik iemand zeggen. Ik draai me om en zie een man in een kleurige boubou. Hij schudt mijn hand en stelt zich voor als Félix, de directeur van het buurthuis. ‘Moussa is hier vandaag voor het eerst. Hij is die jongen daar in het midden.’

Ik zie hoe onder een afdakje een groep jongens een kringspel doet. In het midden staat een jongen die met een brede lach op zijn gezicht probeert te raden wie in de kring de andere kinderen geheime tekens probeert door te geven.

‘Alle enfants de la rue, de straatkinderen die hier komen, hebben hun eigen verhaal,’ vertelt Félix. ‘Er zijn jongens als Moussa die zijn weggelopen van hun marabou, kinderen die thuis niet meer te eten kregen omdat hun ouders dat niet konden opbrengen, vluchtelingen die ontsnapt zijn aan kinderhandelaren die ze als goedkope arbeidskracht probeerden te verkopen aan landen als Ivoorkust, en kinderen die thuis mishandeld werden. Wij spreken ze aan op straat,’ legt Félix uit, ‘en nodigen ze uit naar het buurthuis te komen. Hier kijken we of ze wel gezond zijn. We praten met hen en daarna proberen we hun familie te vinden – iedereen heeft familie, als er geen ouders zijn, dan toch wel een oudere broer, ooms of tantes of grootouders. Als zo’n jongen eraan toe is, gaan we met hem mee naar huis. Er gaat altijd iemand van ons mee om te kijken of hij wel een goed en veilig onderkomen krijgt. Maar tot het zover is zorgen we ervoor dat hij in ieder geval plezier heeft in zijn leven. Van maandag tot en met donderdag krijgen de jongens hier een ontbijt. Ze kunnen in ons buurthuis terecht voor medische hulp en natuurlijk hebben we onze spelochtenden – drie of vier keer in de week. De spelleider die je daar ziet, is opgeleid door Right To Play. Het zijn de spelen die hij met de jongens doet waardoor ze steeds terugkomen naar het buurthuis. Iedereen kan op straat voetballen, maar de groepsspelen die we hier doen geven de jongens zoveel lol dat ze geen ochtend willen missen.’

Er gaat een luid gejuich op in de spelcirkel, alsof de jongens de woorden van Félix bevestigen.

**

De muren van het Centre d’écoute in Sikoro zijn vrolijk beschilderd. Binnen is het een drukte van jewelste. Een stuk of honderd kinderen zit over speelborden en kaartspelen gebogen. Er wordt gedamd, vier-op-een-rij gespeeld, geriskt, gekwartet, gekaart, en in een hoekje leest een meisje een prentenboek voor aan een stel jongere kinderen.

Doordat het in Mali zo warm is zijn bord- en kaartspelen heel geliefd. Op het heetst van de dag kun je er niet voetballen of een ander spel doen waarbij veel gerend moet worden. Right To Play zorgt er dan ook voor dat in de materiaalpakketten die ze aan de centra geven, verschillende soorten bordspelen zitten. Het liefst bestellen ze spellen die in de omgeving zijn gemaakt – daarmee helpen ze mensen uit de buurt geld te verdienen.

In het Centre d’écoute van Sikoro maken de oudere kinderen zelf spellen: blokkendozen, damborden, sjoelbakken, kleurige speelborden – alles gemaakt van hout en elastiek. Deze spelletjes worden verkocht zodat nieuw materiaal kan worden ingekocht. En natuurlijk spelen de kinderen er zelf ook mee.

Als om vijf uur in de middag de ergste hitte voorbij is, trekt een lange stoet kinderen onder begeleiding van twee spelleiders naar de zandvlakte voor het buurthuis. De groep wordt in tweeën gesplitst en het spelen kan beginnen.

Ik zie dat een klein meisje dat een jongetje op haar rug draagt, aan de kant blijft staan.

Lees: Een broertje op je rug

 

‘Het is voor meisjes in Mali moeilijk om te spelen,’ vertelt de leider van het buurthuis me. ‘Meisjes krijgen zodra ze oud genoeg zijn allerlei taken in het huishouden. Jongens mogen wel buiten spelen. Als er in een huishouden al speelgoed gekocht wordt, is dat meestal een bal of een blikken autootje voor een jongen. Meisjes moeten helpen koken, wassen en voor de kleintjes zorgen.’

Hij knikt naar de groep die aan het spelen is. ‘Er zijn nog aardig wat meisjes in ons buurthuis,’ zegt hij. ‘Veel ouders vinden het niet goed als jongens en meisjes samen spelen. Wij proberen daar wat aan te doen. Bij bordspelen en kaarten is het makkelijk om jongens en meisjes aan één spel mee te laten doen. Maar ook in de kringspelen proberen we ze zoveel mogelijk te laten mengen. Een van mijn favoriete spelen om dat voor elkaar te krijgen, is Moleculen: de kinderen vliegen elkaar daarbij lachend in de armen. Als er dan groepjes ontstaan waarin jongens én meisjes elkaar omarmen, is mijn opzet gelukt.’

 

Lees: De voetbalkapitein

 

De avond voordat ik Capi ontmoet was er een wedstrijd op televisie: Chelsea - Liverpool. In Bamako werden overal langs de kant van de weg kleine televisies op batterijen buiten neergezet. In de warme avondwind zat iedereen dicht op elkaar om niets van de wedstrijd te hoeven missen. Het enige dat op straat te horen was, was het snerpen van de krekels en de stem van de televisiepresentator - behalve als er op doel geschoten werd, dan ging er een enorm gejuich op dat steeds eindigde in een diepe zucht. De hele wedstrijd lang werd er niet gescoord.

‘Het hele land houdt van voetbal,’ zegt Capi. ‘Mannen én vrouwen – we hebben ook een nationaal vrouwenteam. Als er een wedstrijd wordt gespeeld, vergeet iedereen zijn ruzies of zorgen. Zelfs als het landsteam slecht speelt wordt er meegeleefd. Het is waar wat altijd wordt gezegd: er zijn zoveel coaches als er toeschouwers zijn. Maar het is ook een probleem,’ gaat hij verder, ‘want veel jongens houden zoveel van voetbal dat ze niet naar school gaan. Ze zeggen ’s ochtends rond schooltijd goedendag tegen hun ouders en gaan niet naar hun klas, maar naar een plek om te voetballen. Ze willen allemaal naar Europa om professional te worden. Veel kinderen vervalsen zelfs hun geboortebewijs om te doen alsof ze al achttien zijn – oud genoeg om in het buitenland te mogen spelen. Maar in werkelijkheid zijn ze niet ouder dat veertien of vijftien jaar.

Ik vind het belangrijk dat sport en onderwijs worden gecombineerd, dat kinderen kunnen sporten én kunnen leren, zodat ze in de toekomst ook nog iets anders kunnen dan tegen een bal schoppen. Ik ben er dan ook trots op dat Right To Play mij heeft gevraagd om atleetambassadeur te worden,’ zegt hij en hij haalt de bekende rode bal tevoorschijn. ‘Door Right To Play kan ik verschil maken: ik kan kinderen iets leren. Ik kan ze bijbrengen wat verantwoordelijkheid is, hoe ze samen moeten werken én hoe ze leiding kunnen geven. En dat allemaal op de leukste manier die er bestaat: via sport. Via voetbal.’

**

De hitte is overweldigend als we in Bakaribougou uit de auto stappen. We komen hier kijken naar de bouw van een buurthuis dat door Right To Play mogelijk wordt gemaakt. Vandaag is het zeker vijfenveertig graden. De warme sahelwind blaast als een föhn over de rode aarde en kleurt alles met stof.

Niet alleen de warmte is adembenemend – ook de geur die me in het gezicht slaat doet me naar adem happen. Het ruikt naar rottend fruit, urine en uitwerpselen, vergaan vlees en vis die te lang in de zon heeft gelegen. Ik sta naast een open riool, waarvan ik de inhoud niet eens kan zien, omdat de drab bedekt is met een dikke laag afval: autobanden, blikjes, plastic zakjes, maaltijdverpakkingen, kartonnen dozen, noem maar op. Ook de straten zelf zijn bezaaid met glasscherven, etensresten, rubber, plastic, metaal, enzovoort.

Een jongetje komt aanlopen; hij slaat met een stok een autoband als een hoepel voor zich uit. Per ongeluk geeft hij een verkeerde tik tegen de band. Zijn hoepel zwenkt de verkeerde kant op en plonst het riool in. Direct springt het jongetje erachteraan. Tot zijn middel zakt hij weg in de zwarte drab, waaruit een ondraaglijke stank naar boven komt. Met de band onder zijn arm klimt hij het riool weer uit.

 

Lees: Plaats voor iedereen

 

De avond valt over Bakaribougou. Als we teruglopen naar de auto, begeleid door honderden kinderen, moet ik uitkijken waar ik mijn voeten neerzet. Overal liggen glasscherven en puntige uitsteeksels van blikken. Ik kan in de schemering maar moeilijk zien waar ik moet lopen en denk aan al die kinderen die op hun blote voeten of met dunne slippertjes door deze brokstukken lopen. Nog even en dan hebben ze een plek die schoongehouden wordt, waar ze niet bang hoeven te zijn in iets scherps te trappen of ziek te worden omdat ze tussen rottend afval spelen. Vier muren en een dak – eigenlijk is er maar zo weinig voor nodig om iedere plek een beetje beter te maken.

 

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3