Ruim tien jaar geleden zaten miljoenen mensen aan
de televisie gekluisterd. Op het scherm flitste een jongen in een glimmend
rood pak over de schaatsbaan. De wereld juichte toen hij over de eindstreep
zoefde. Hij had gedaan wat onmogelijk leek: hij haalde drie gouden medailles
en brak drie records op de Olympische Spelen in Noorwegen.
Johann Olav Koss was vijfentwintig jaar toen hij met drie gouden plakken om zijn nek op het erepodium in Lillehammer stond. Hij was al drie keer wereldkampioen geworden en onbetwist de beste schaatser van de wereld. Maar hij deed iets wat niemand verwachtte: hij stopte.
Toen ik beroemd begon te worden als schaatser, vertelt Johann, werd ik ambassadeur voor Redd Barna: Save the Children. Dat is een Noorse organisatie die geld ophaalt voor kinderen in ontwikkelingslanden. Door deze organisatie werd ik uitgenodigd naar Eritrea te gaan. Een week lang bezocht ik daar verschillende projecten.
Eten of een bal
Johann Olav Koss loopt door de stoffige straten van een sloppenwijk in Eritrea. Op een muurtje langs de kant van de weg ziet hij een paar jongens zitten.
Selam, groet hij de jongens en hij maakt een praatje met hen. Spelen jullie wel eens? vraagt hij op een gegeven moment.
Natuurlijk, antwoordt een van hen. We voetballen graag. Maar dat doen we alleen als híj erbij is. En hij wijst naar een jongen die verderop staat.
Johann loopt naar de jongen die hem werd aangewezen. Hij draagt een afgeknipte broek en een T-shirt met lange mouwen. Selam, groet Johann opnieuw. Vertel eens: waa-->om voetballen je vrienden alleen maar als jij erbij bent? Ben jij zo populair?
De jongen antwoordt niet, maar trekt zijn T-shirt uit. Hij knoopt de mouwen op zon manier om de rest van het shirt heen, dat het een bal wordt. Hij loopt naar zijn vriendjes, en ze beginnen te voetballen met het shirt als bal.
Johann kijkt even toe hoe ze spelen; dan haalt hij een bal die hij naar Eritrea heeft meegenomen en geeft die aan de jongens. Deze is voor jullie, zegt hij. En ik beloof dat ik terugkom met meer. Ik moet nu eerst trainen voor de Olympische Spelen, maar daarna zien jullie me weer terug met meer sportspullen.
Een paar maanden later zit Johann opnieuw in het vliegtuig naar Eritrea. Het ruim van het vliegtuig zit vol met sportmateriaal dat door kinderen in Noorwegen is ingezameld.
Johann kijkt in de krant. Daarin staat een groot artikel met erboven in vette letters: Johann Koss brengt voetballen naar stervende kinderen. Nu begint hij toch te twijfelen. Is het wel zon goed idee? Zitten de mensen in Eritrea wel te wachten op sportspullen terwijl ze niet eens genoeg te eten hebben?
Als het vliegtuig in Eritrea is geland, is Johann erg zenuwachtig. Wat zal er gebeuren? Maar als de deur van het vliegtuig opengaat en hij de warmte van Afrika binnenstapt, weet hij dat hij zich niet langer zorgen hoeft te maken. In de straten van Asmara staan meer dan driehonderdduizend mensen op hem te wachten.
Als alle sportspullen in autos zijn geladen, vertrekt de optocht. Johann rijdt op de fiets voorop. Achter hem komen alle autos, die een rij vormen van wel twee kilometer lang. Langs de kant van de weg zwaaien de mensen met Noorse en Eritrese vlaggen. Ze dansen en zingen allemaal. Het is één groot feest.
Na de rit ontmoet Johann de president van Eritrea. De president schudt hem de hand en vertelt hoe blij hij is dat Johann met sportspullen is gekomen in plaats van met eten. De kinderen van Noorwegen zien ons als mensen, zei hij, niet als monden die gevoed moeten worden. Voedsel is niet het enige dat we nodig hebben: we moeten hoop en dromen naar onze kinderen brengen. En dat heeft Johann gedaan.
Toen ik elf jaar oud was, vertelt Johann, wist ik zeker dat ik drie dingen in mijn leven wilde doen. Ik wilde wereldkampioen schaatsen worden, ik wilde voor dokter studeren en ik wilde kinderen helpen.
Schaatsen was voor mij op dat moment het mooiste dat er bestond. Ik hield ervan op het ijs te staan en vond het geweldig om net zo hard te kunnen rijden als de grotere kinderen. Ik schaatste samen met mijn broer. Volgens onze vader, die vaak met ons meeging, was het belangrijker om iedere keer iets beter te worden dan om altijd te winnen. Maar mijn broer en ik wilden natuurlijk gewoon de beste zijn. En eigenlijk wil ik dat nog steeds.
Maar atleten zelfs atleten die veel succes hebben, zoals ikzelf verliezen meer dan ze winnen. Dat is niet erg: we wéten dat falen erbij hoort. Sterker nog, om heel erg goed te kunnen worden, moeten we juist ook heel veel fouten maken. Daar leer je een hoop van. Gewoon doorgaan is het allerbelangrijkst. Je mag best je tactiek veranderen, het op een andere manier proberen, maar je geeft niet op. De aanhouder wint.
Mijn vader en moeder waren allebei arts. Zij hadden hun deur altijd openstaan voor iedereen die hulp nodig had. Voor anderen zorgen is voor mij dus altijd vanzelfsprekend geweest. Mijn ouders hebben mij ook de verschillen in de wereld laten zien: ze namen me mee naar Afrika, naar Egypte en later naar India. Daardoor zag ik dat wij in Europa in veel opzichten bevoorrecht zijn.
Ikzelf heb wat dat betreft een bijzondere ervaring gehad toen ik veertien jaar oud was.
Alles of niets
Het is zomer en Johann Olav Koss is op kamp met wel zeventig jongens en meisjes. Op een ochtend moeten ze zich verzamelen voor een speurtocht door de natuur. Ze krijgen geen ontbijt.
De kinderen worden opgedeeld in groepen van tien personen. Ieder kind krijgt een gekleurde kaart. Johann krijgt als enige in zijn groep een groene kaart. De anderen hebben allemaal een rode.
De speurtocht is spannend en leidt naar een huis. Daar worden alle kinderen met een groene kaart zeven jongens en meisjes apart genomen. Johann is erbij. Zij mogen het huis binnen, de kinderen met de rode kaart blijven achter.
Als Johann het huis binnenloopt, kan hij zijn ogen niet geloven. Hij is terechtgekomen in een kamer waar een grote tafel staat. Die tafel is volgeladen met alle soorten lekkers die hij zich maar kan voorstellen: ijs, chocolade, taart, chips, koek. Er staan zeven stoelen rond de tafel. Johann en zijn vrienden bedenken zich geen seconde en stormen op de tafel af. Ze rammelen inmiddels van de honger en storten zich op al dat heerlijke eten. Ze eten zo snel ze kunnen, met twee handen tegelijk.
Maar Johann merkt dat er aan de andere kant van de kamer iets gebeurt. Dan ziet hij dat één muur geen echte muur is, maar een plastic gordijn. Hij hoort dat achter dat gordijn de drieënzestig kinderen worden binnengelaten die een rode kaart hadden gekregen. En al kan hij die kinderen niet zien, het is hem wel duidelijk dat zíj niet al die lekkernijen hebben die voor hem op tafel staan.
Ook de andere kinderen aan tafel krijgen het door, en ze proberen nog sneller te eten dan ze al deden. Naast Johann wordt een jongen misselijk. Hij trekt een lege taartdoos naar zich toe, kotst erin, schuift de doos weer opzij en eet door. Johann weet niet wat hij ziet, maar kan zelf ook niet ophouden met eten.
Dan gebeurt wat te verwachten was: de drieënzestig kinderen in de andere helft van de kamer stormen met zn allen tegelijk door het plastic gordijn en rennen op de tafel af. Johann en zijn tafelgenoten vluchten zo snel ze kunnen de kamer uit, voor ze door de groep onder de voet worden gelopen.
Ik ben Right To Play begonnen om de wereld voor kinderen gezonder en veiliger maken, legt Johann uit. Ik denk dat dat kan door sport en spel. Waarom? Zet eens een paar honderd jongens bij elkaar ze kunnen nergens naartoe en ze hebben niets te doen. Wat gebeurt er dan? Dan gaan ze ruzie zoeken.
In vluchtelingenkampen over de hele wereld zitten elf miljoen mannen en jongens. Ze hebben geen doel voor ogen, geen enkele hoop op een betere toekomst, en er is niets te doen. Dan ontstaan er problemen: er wordt geweld gepleegd, en seksueel misbruik; kinderen gaan niet meer naar school en mensen verwaarlozen zichzelf. Maar als je ze iets te doen geeft, als je ze laat sporten en spelen, krijgen ze vanzelf weer zin in het leven. Dát is wat we met Right To Play doen: we geven jong en oud weer moed en kracht door sport en spel.
Om een voorbeeld te geven: in Sierra Leone werken we samen met de FIFA, de internationale voetbalorganisatie. In een vluchtelingenkamp waar mensen uit Liberia zijn ondergebracht, heeft een aantal coaches van de FIFA vluchtelingen getraind zodat die zélf voetbalcoach konden worden. Die jongens trainen nu teams in het kamp. Ze vinden zichzelf zó goed dat ze allemaal terug willen naar Liberia om bondscoach te worden.
Voor vrouwen en meisjes zijn sport en spel net zo belangrijk als voor mannen en jongens. Door meisjes te laten sporten, geef je ze meer zelfvertrouwen. Ze krijgen meer respect voor zichzelf en hun lichaam. Iederéén wordt er beter van.
Een nieuw leven
Johann Olav Koss is in Sierra Leone om een project van Right To Play te bezoeken. Hij loopt langs een trainingscentrum waar meisjes leren naaien, als hij een meisje van een jaar of vijftien buiten tegen de muur ziet leunen. Ze ziet er verdrietig uit.
Wat is er aan de hand? vraagt Johann.
Ik denk dat ik maar terugga, zegt het meisje.
Terug? Waarnaartoe? Waar kom je dan vandaan?
Terug naar de rebellen, zegt het meisje.
Het meisje vertelt dat ze kindsoldaat was. Tijdens de oorlog heeft ze voor de rebellen in het veld gezorgd. Ze kookte voor hen en deed de was. Ze werd zwanger van een van de rebellen en kreeg een dochtertje.
Toen er vrede kwam, ben ik teruggegaan naar mijn dorp, vertelt het meisje. Maar de mensen in mijn dorp vinden het een schande dat ik een kind van een rebel heb gekregen. En mijn ouders accepteren mijn dochtertje niet. Niemand doet aardig tegen me. Ik kan nergens terecht. Ja hier, zegt ze, en ze wijst naar het gebouw achter zich. Ik krijg naailes, maar wat heb ik daaraan als niemand met me wil praten? Ik denk echt dat ik wegga.
Ga alsjeblieft nog niet terug, zegt Johann. Als je belooft nog even geduld te hebben, kijk ik wat ik kan doen om je te helpen.
Hier moet iets aan te doen zijn, vindt Johann. Samen met de medewerkers van Right To Play in Sierra Leone denkt hij een plan uit. Ze zullen de meiden uit het trainingscentrum opleiden tot coach. Iedere dag gaan ze één of twee uur lang met hen sporten en leren de meisjes hoe ze zelf met kinderen kunnen spelen. Zo hebben ze iets om naar uit te kijken.
Een paar maanden later krijgt Johann een brief. De afzender is het meisje dat hij in Sierra Leone had ontmoet. Ze schrijft dat haar leven helemaal is veranderd. Ze vindt het fantastisch om mee te doen aan de activiteiten: ze maakt vrienden en heeft het gevoel dat ze nu echt bij de groep hoort. En haar ouders zijn inmiddels gewend aan de nieuwe situatie. Ze is, met haar dochtertje, weer helemaal in de familie opgenomen.
Met Right To Play willen we kinderen hoop geven. We willen ze weer laten lachen en laten dromen. En dat lukt.
Een van onze vrijwilligers vertelde me het volgende:
Er was een groot sportfestival in een van de kampen gehouden. Duizenden kinderen hadden eraan meegedaan en iedereen was na afloop buitengewoon gelukkig.
Na het festijn zag onze vrijwilliger een jongetje lopen met een banaan in zijn hand. Hij kwam een kind tegen dat niets te eten had. Hij brak meteen zijn banaan doormidden en gaf het andere kind de helft met de woorden: Look After Yourself, Look After One Another.
Dat is precies de bedoeling.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right
To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3