Ratelband in spijkerbroek
Jonathan Kay

Vrijdagavond in de Idolize kom ik binnen in een afgeladen tent. Ik zie niemand optreden, maar kijk tegen een haag van ruggen aan en hoor hoe het publiek lacht en joelt. Door een versterker klinkt de stem van een man die me een Engelse Ratelbandversie lijkt te zijn. Het 'applaus voor jezelf' gehalte van zijn boodschap, en de reactie van het publiek op zijn woorden, wijzen daarop.
Ik ben wars van de leer-te-geloven-in-jezelf-door-hard-tegen-je-te-laten-schreeuwen-types en kan me bijna niet voorstellen dat ze op het Oerol optreden. Ik loop dus om de tent heen, via kruip en sluipwegen waar alleen zo'n begeerde perskaart je kan brengen en betreedt de spiegeltent via een geheime deur.
In het midden van een kring van een paar honderd mensen staat een grijs meneertje. Gewoon een beetje slordig mannetje in een spijkerbroek en een nonchalant jasje. Hij heeft opvallend blauwe ogen en bespeelt het publiek virtuoos.
Mijn cynisme is nog niet direct verdwenen. Ik verbaas me hogelijk over het feit dat al die mensen gaan staan en zitten alleen maar omdat die grijze man dat zegt. Maar gaandeweg weet hij mij te overtuigen van het Oerolgehalte van zijn optreden. En als hij een vierstemmige ouverture van Wilhelm Tell aan het publiek weet te ontlokken, en naast mij een tiental mensen hartstochtelijk zit te pingpingen, geef ik me over en lach mee.
Jonathan Kay, zo leer ik, is wereldberoemd. Overal wordt hij gevraagd om de nar in de mens naar boven te halen. 'De nar,' zo vertelt hij, 'zit opgesloten in de kerkers van het kasteel. Het is een lange tocht naar buiten. Als een mijnwerker duik ik met het publiek in de onbekende wereld van zichzelf om de nar naar boven te halen. Veel mensen zijn bang voor die onbekende kanten, ze denken dat dat een slechte kant is. Maar het is een goede kant.'
Eigenlijk manipuleert hij mensen. Manipuleren, zo wil hij het zelf niet noemen, dat vindt hij zo dictatoriaal, maar in feite doet hij dat wel. 'Het is een bepaalde macht,' geeft hij toe. 'Maar ik gebruik hem alleen om mensen blij te maken. Zo was ik vorige week nog in Bosnië. Als ik een publiek dat zoveel leed heeft meegemaakt vrolijk kan krijgen, ben ik gelukkig. Ik leer mensen nú te genieten. Veel mensen denken, ik heb nog zo lang, ik ga me daar nu niet mee bezig houden. Maar in feite kan het zo,' hij knipt met zijn vingers, 'afgelopen zijn.'
Een betere entourage op Oerol dan het kerkje van Midsland kan Jonathan Kay zich niet voorstellen: 'In zo'n kerk speel je met levenden tussen de doden. Dat geeft te denken. Bovendien is een vaste locatie prettiger dan op de straat: mensen komen naar je toe om je te zien, het zijn geen toenallige voorbijgangers. Dat werkt beter.' [JG]

Artikel uit de Morgenster, Oerol Festival, 1998