VERHALEN OVER ZOUT EN ZUILEN
Hercules
Hercules moest als elfde opdracht de gouden appels uit de tuin van Hera
stelen. De boom waaraan de appels groeiden werd bewaakt door een draakslang,
Ladon, die alleen maar luisterde naar zijn meester Atlas en verder iedereen
aan stukken scheurde.
Hercules pakte het handig aan: hij stelde aan Atlas voor de last van de
aarde even op zijn schouders te nemen, als Atlas in ruil daarvoor de appels
wilde pakken. Atlas was allang blij dat hij even onder het onnoemlijke gewicht
uit kon, en had in een mum van tijd de gouden kostbaarheden uit de tuin
ontvreemd. Maar het verlost zijn van de aarde was zon opluchting voor
hem, dat hij er niet over piekerde zijn taak weer op zich te nemen. Hij
vertelde Hercules dat hij die appels zelf wel zou wegbrengen.
Prima, zei Hercules tegen Atlas, maar neem de aarde dan
nog even terug, dan leg ik iets op mijn schouders om de druk te verzachten.
Atlas nam de aarde over. Hercules pakte zijn appels en ging ervandoor. En
tot vandaag draagt Atlas onze wereldbol (die vroeger nog plat was, waardoor
Atlas eigenlijk als zuil fungeerde, en vandaar de zuilen van Hercules die
de aarde dragen).
Prinses
Een koning vroeg aan zijn dochters hoeveel ze van hem hielden.
Ik hou zoveel van u als van zout, zei de jongste.
Ben je nou helemaal gek geworden, zei de koning. Dat neem
je terug of je rot maar op.
De jongste was nogal koppig en bleef bij wat ze gezegd had. Ze pakte haar
biezen en verdween.
Jaren later reisde de koning door verre oorden. Hongerig klopte hij aan
bij een huis, waar een vrouw hem beloofde een koningsmaal voor te zetten.
De maaltijden zagen er prachtig uit, maar de ene gang smaakte nog smeriger
dan de ander.
Vrouw! bulderde de koning. Hoe krijg je het voor elkaar
om zo afschuwelijk te koken?
Vader, sprak de vrouw, die natuurlijk eigenlijk de prinses was.
Dit was een maaltijd zonder zout. En ik hou nog steeds zo veel van
u als van zout.
De koning plengde een paar zoute tranen en sloot zijn dochter in zijn armen.
Zij erfde zijn rijk en leefde nog lang en gelukkig.
Lot
Sodom en Gomorra waren spreekwoordelijk slechte steden. Er werd bij bosjes
gecopuleerd (ook erin en ernaast en in huizen, kortom overal) en dat mag
natuurlijk niet ongestraft. Dus God greep in. Voordat hij zwavel en vuur
op de luststeden liet regenen, gaf hij Lot, diens vrouw en hun twee maagdelijke
dochters de kans om te ontsnappen. Maar net als Orpheus in de onderwereld,
mocht het viertal onder geen voorwaarden achterom kijken als zij de stad
hadden verlaten en God toesloeg.
Het ging goed tot halverwege de berg buiten de stad. Daar kon de vrouw van
Lot haar nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. En als een geslepen journalist
gluurde ze achterom om te zien hoe de steden werden verzengd. Zij had de
scoop van haar leven, maar zou hem nooit kunnen navertellen. Ze veranderde
in een zoutpilaar.
Plastic
Er was eens een groep kunstenaars die met een prachtig idee op de proppen
kwam. Als we nou eens zouten zuilen maakte, dachten ze. Dat is leuk om te
doen, leuk om te zien, en je kunt er goed diepere betekenissen in leggen.
Zo toog het gezelschap aan het werk. Met de hulp van een zoutfabriek en
een horde schoolkinderen werden de imposante zuilen opgetrokken. De witte
kristallen glinsterden in de zon en de zee kabbelde om de zuilen in de hoop
er zout vanaf te snoepen. Maar de kunstenaars vonden het eigenlijk zonde
dat hun werk weer door het water zou worden afgebroken, dus hulden ze de
kwetsbare meesterwerken in zwart landbouwplastic.
Met de kwetsbaarheid werd ook de schoonheid aan het oog onttrokken. De magie
die ontstond tussen kijker en kunst verdween als zout in de zee. Alleen
het bovenste deel van de zuilen fonkelde nog, als een vage afspiegeling
van wat eens geweest was.
Na eeuwen, want zo gaat dat in sprookjes, kwamen de kunstenaars tot inkeer.
Ze beseften dat wat zij behielden niet het pronkwerk was dat ze voor ogen
stond. Ze verwijderden het plastic en daar glorieerde eindelijk de sublieme
kostbaarheid. De zee begon direct zijn vernietigende werk, maar voor zolang
het duurde konden de kijkers zich verwonderen over de sierlijke ongekunsteldheid
van de zoutzinderende zuilen. De schoonheid van de vergankelijkheid. [JG]