De realiteit wordt droom

‘Wij denken niet in voorstellingen. Vergelijk ons met een improviserende muziekgroep, die spelen geen composities, maar iets wat op die avond past. Wij spelen iets wat op een plek past. We richten niet een voorstelling in op een bepaalde locatie, maar kijken: wat is deze plek en wat kunnen we hier doen.
De structuur van de voorstelling is die van een beeldentuin, meer dan die van een stuk.’
Aan het woord is Warner van Wely, oprichter van Dogtroep en nu voorganger van Warner & Consorten.

Warner van Wely: ‘In 1973 was er een voorstelling in het Shaffytheater in Amsterdam, waarbij alle ruimtes gebruikt werden. Dat was locatietheater: in alle zalen, van buiten bij de gracht tot aan de nok van het dak. Ik was er helemaal kapot van. Ik wou acteur en toneelmaker worden en had helemaal niet door dat dat geen theatermensen waren, maar beeldend kunstenaars uit Engeland.
Het vak heb ik geleerd van Engelse performers uit die tijd. Ik rolde er als het ware in en ben het blijven doen omdat alles erin samenkomt wat ik ooit gedaan heb. Ik studeerde toen nog en zat maar te dubben of ik nou de kunst in moest of logicus zou worden. Alle openstaande vragen in mijn leven werden toen in een paar dagen duidelijk.
Het klopt.’

Raakpunten
‘Wat andere groepen doen hoeven wij niet meer te doen, want dat doen zij al. Dat is voor mij een hele duidelijke definitie. We hoeven geen goede stukken te maken of dramaturgisch verantwoorde dingen te doen. Er ligt een enorm open gebied tussen de kunstgebieden in. Er zit een gap. Op de vakopleidingen moet het ambacht geleerd worden. Maar er is vrij weinig plek waar andere kunstgebieden onderzocht kunnen worden, waar je je kunt instellen op elkaars manier van kunst maken en kunt zoeken naar de gemeenschappelijke raakpunten.
Na Dogtroep ben ik opnieuw begonnen met jonge kunstenaars die net van de opleidingen afkomen. Ik laat hun hun gang gaan. Dat is veel meer mijn werk als regisseur dan om een stuk te maken waar mensen in passen. Peer Gynt bijvoorbeeld is het tegendeel van wat wij doen. Ontzettend goede vormgevers, goede danseressen en goede spelers worden door een regisseur in een stuk samengebracht. Wij willen juist lang met mensen uit verschillende hoeken samenwerken zodat ze elkaars raakpunten vinden en van daaruit stukken maken.’

Gewoon doen
‘Een voorstelling als Doing Doing ontstaat door veel mensen zelfstandig te laten werken en veel opdrachten te geven. Zorg dat iedereen als artiest heel lekker in zijn vel zit op de plek die is gekozen. De achtergrond daarbij is dat je een ontzettend goed op elkaar ingespeeld team hebt, waarbinnen iedereen elkaar goed kent en die heel divers is: twee danseressen, twee actrices, een muzikant een heel stel beeldend kunstenaars.
In de eerste plaats moet je zorgen dat iedereen heel veel verzint vanaf het eerste uur dat hij aankomt. Het proces van rondkijken: wat is de plek, en wat kan ik hier doen, moet heel goed lopen en mag nergens geblokkeerd zijn. De eerste helft van de dag richt ieder voor zich dingen in, de tweede helft gaan we alles bekijken en nemen dingen van elkaar over.
Eerst werk je aan details om je op de plek een beetje thuis te voelen, daarna pas ga je in algemene lijnen denken. Hoe komen de mensen binnen en hoe kijken ze er dan tegenaan? Wat voor een soort architectuur werkt op de plaats en hoe kun je daar snel een verandering in teweegbrengen? Er ontstaan heel veel vragen over de plek, maar wat we in huis hebben, is een groep die heel divers is en op elkaar is ingespeeld.’

Oerolpubliek
‘Het Nederlandse publiek is best verwend. Je kunt behoorlijk wat zien. Daar zat ik toen ik vorig jaar op Oerol rondkeek ook wel tegenaan te hikken. Aan de andere kant heeft het ook een groot voordeel: natuurlijk weet het Oerolpubliek dat ze rare stukken gaan zien en dat het leuk is, maar het goede is dat ze een heel ander soort kijkgeduld en kijknieuwsgierigheid hebben dan wanneer je ergens in Brabant speelt. Je hoeft maar iets te doen en ze blijven staan om te kijken wat er aan de hand is.
Ik was een beetje bang voor een ons kent ons sfeertje, hier. Maar daar heb ik niets van gemerkt.’

Werkplaatsfunctie
‘Aan het festival als werkplaats voor locatietheater zitten haken en ogen. Aan de ene kant is het goed dat het gestimuleerd wordt. Maar het gevaar bestaat dat mensen het beschouwen als een leuk uitstapje om eens zoiets te doen. Daarmee wordt verdoezeld dat er een groot vakgebied open ligt.
In de tijd tussen Dogtroep en deze groep heb ik lesgegeven op theater- en beeldende kunst-opleidingen. Ik kon heel veel workshops geven. Het liefst een week en vlak voor de zomervakantie. Daar is het altijd een snoepje, een uitstapje in plaats van een braakliggend terrein waar heel veel vakmatigheid gevraagd wordt als je het goed wilt doen.
In Frankrijk beginnen ze nu een bodem te leggen voor die vakmatigheid. In Nederland is er niemand die er behoorlijk over kan schrijven. Er zijn nu veel jonge theaterwetenschappers uit Utrecht die hun scripties over ons maken, maar die werken out of the blue. Er is geen literatuur, er is geen zicht op.
Als je zomaar tegen iemand zegt: maak nu een locatiestuk, bestaat het gevaar dat het beeld bevestigd wordt dat het iets leuks is om een keertje te doen. De andere kant is natuurlijk dat het heel goed is dat mensen uitgedaagd worden. Ik hoop dan ook dat ze vaak tegen vergissingen aanlopen. Het is altijd goed om mensen in het diepe te gooien. Maar wat is dan het vervolg, dat is de vraag. Als mensen aan de slag gaan moet er de mogelijkheid zijn om houvast te vinden.’

Evolutie
‘Het werk bestaat nu dertig jaar. Het is wel belangrijk dat het houvast dat al is uitgezocht, blijft. Dat er niet aldoor van de grond af aan opnieuw wordt begonnen. En ook dat er niet ontzettend veel halfproducten ontstaan door uitstapjes van mensen die eigenlijk niet weten waar ze mee bezig zijn.
Voor mij is een locatieproject geslaagd als de mensen het gevoel hebben: ik ben op deze plek geweest. Ik ben tóén dáár geweest. Dat ze een ervaring hebben die ze onmogelijk door een videoverslag zouden kunnen krijgen. Dat de locatie in je blijft nabranden. Dat je de stilte hebt gehoord. Dat je de afstand hebt gevoeld. Dat de realiteit tot droom is geworden.’ [JG]

Artikel uit de Morgenster, Oerol Festival, 1999