De kunst van het vervliegen

Koning Minos liet op Kreta een labyrint bouwen door de architect Daedalus. In dit doolhof woonde de Minotaurus, een mensenetende monsterstier: de zoon van de koning. Minos hield van zijn zoon en was trots op zijn eerstgeborene. Hij dacht dat hij veilig zou zijn, opgeborgen in het labyrint dat zo ingenieus was ontwikkeld dat niemand die het betrad er ooit weer uit zou komen.
Maar Minos had niet gerekend op Theseus die van Ariadne (Minos’ dochter notabene) een rode draad had meegekregen voor hij het doolhof betrad. Tijdens zijn tocht door het labyrint wikkelde Theseus de draad af. Hij doodde de Minotaurus en vond langs de rode draad zijn weg weer veilig terug.
De toorn van Minos was onbeschrijfelijk. Hij verweet Daedalus dat hij een te makkelijke constructie had gebouwd en hield hem verantwoordelijk voor de dood van zijn zoon. Hij liet hem inrekenen en sloot Daedalus met zijn zoon Icarus op in de val die hij voor anderen bouwde: het ondoordringbare doolhof.
Daedalus, een uomo universale avant la lettre, was niet voor een gat te vangen. Hij verzamelde de veren die vogels bij hun ongehinderde vlucht over het labyrint lieten vallen. Met bijenwas vormde hij ze op een houten staketsel tot twee paar vleugels. Voor hij met Icarus uit het hoogste punt van het bouwwerk sprong, waarschuwde hij zijn zoon: ‘Vlieg niet te laag,’ zei hij, ‘anders worden je vleugels nat en zul je verdrinken onder het gewicht. Maar vlieg ook niet te hoog, want dan zal door de kracht van de zon de was smelten en stort je neer. Volg de veilige middenweg.’
Maar toen Icarus vloog, eindelijk weg uit zijn gevangenschap, eindelijk vrij om te gaan waar hij wilde, zocht hij de warmte. Hij steeg hoger en hoger, dronken van geluk. Te laat merkte hij op dat de vleugels van zijn armen begonnen te vallen. Met een laatste schreeuw naar zijn vader stortte hij in zee en verdronk.

Daedalus leende zijn naam aan het Engelse woord ‘daedalian’ wat gelijk staat aan ‘artistieke of vindingrijke vaardigheden vertonend’. Het project van kunstenaar Reinier Kelder heet Daedalus. In de werkschuur op West-Terschelling krijgt Icarus vleugels en naarmate de dag vordert, stijgt hij naar de zon. Maar ’s avonds, rond tienen, gaat hij op het Groene Strand in vlammen op en stort neer om de volgende dag, als een feniks uit zijn as te herrijzen en zijn nieuwe tocht naar de zon te beginnen. [JG]

Daedalus, Icarus ontstaat dagelijks in de werkschuur op West. Iedere avond ca. 22.00 u. steekt Reinier Kelder op het Groene Strand zijn werk in brand.

Artikel uit de Morgenster, Oerol Festival, 1999