SBB, deel 1: Op kantoor

Het grootste deel van Terschelling staat onder het toeziend oog van Staatsbosbeheer. Iedere dag laten wij een boswachter aan het woord over de enorme afwisseling die Terschelling biedt en de werkzaamheden die het beheer met zich meebrengt. Vandaag een introductie van de medewerkers:


'Mijn naam is Freek Blom. Samen met mijn collega Hillebrand vorm ik het boswachterteam op Terschelling.
Het eiland is ongeveer dertig kilometer lang en gemiddeld vier kilometer breed. Daarvan is tachtig procent, een goede negenduizend hectare, natuurterrein. De dorpen vormen de grens. Je hebt een kleine tweeduizend hectare bebouwing en poldergebied. De rest is natuur. Zo'n groot aaneengesloten natuurgebied vind je bijna nergens meer in ons land.
Staatsbosbeheer werkt hier met achttien man vast personeel. Tijdens het drukke voorjaars- en zomerseizoen komen daar nog vier of vijf uitzendkrachten bij. Op kantoor zit de hoge baas, de andere Freek. Hier wordt ook de administratie gedaan en de telefoon opgenomen. En er is iemand belast met grootschalige natuurprojecten, zoals het afplaggen of opnieuw inrichten van terreinen.
Op kantoor zit ook tweeëneenhalve opzichter. Een Opzichter Terrein, Bram, zorgt voor de contracten met aannemers voor groot onderhoud aan fietspaden en wandelpaden. Daarnaast hebben we een Opzichter Personeel, dat is Jaap, die de veldmedewerkers onder zich heeft die de kleine werkzaamheden op de terreinen verrichten, zoals het schilderen van picknickbankjes en (ruitter)routepaaltjes, het onderhoud van wandelpaden en de afvoer van vuil. In het zomerseizoen rijdt er iemand de hele dag rond met een aanhanger om de vuilnisbakken leeg te halen en het terrein weer schoon te maken.
En dan hebben we nóg een opzichter, Jan. Een deel van zijn taak bestaat uit de begrazingsobjecten. Op de Boschplaat scharen boeren zo'n honderdvijftig stuks jongvee in, koeien en paarden. Daar moeten contracten voor geschreven worden. Hij heeft ook de pacht van de terreinen en de controle op de tuinen, zoals de honderd moestuintjes die in de duinen liggen op West.
Dan kom je bij ons, de boswachters. Met ons tweeën en onze surveillant Jan delen we een kantoortje. Een boswachter heeft verschillende werkzaamheden. Voorlichting is vooral mijn werk: de pers, krant, televisie, noem maar op. En mijn hoofdtaak is excursies. Hillebrand regelt ons toezicht in de terreinen, de surveillance. We letten erop of er geen schade aan de natuur wordt berokkend. En tot slot is er de inventarisatie. We tellen alles: plantjes, vlinders en met name vogels.
Elk bedrijf in Nederland wil weten of hij het goed doet. Die telt zijn centen aan het eind van het seizoen. Wil je het goed doen in de natuur, dan moet je de natuur tellen. Op die manier kun je zien dat er tien jaar geleden zoveel citroenvlinders voorkwamen en dit jaar zoveel meer. Aan de hand daarvan kun je zeggen: "Het gaat goed."' [JG]


SBB, deel 3: Van kiekendieven en lepelaars

Freek Blom, boswachter op Terschelling, vertelt over de vogels op Terschelling:

'Een belangrijk onderdeel van het werk van Staatsbosbeheer is de vogelinventarisatie. Daar huren wij jaarlijks twee personen voor in, die elke ochtend opstaan al voordat het licht wordt. Zij lopen door het duin- of bosgebied of door de kwelder, met een kaart van dat terrein en luisteren. Op de kaart tekenen ze aan waar ze een graspieper horen, een leeuwerik, een tuinfluiter of een van de andere honderdveertig vogelsoorten die regelmatig op Terschelling broeden.
Als dezelfde route zes keer is gelopen, zijn er zes kaarten. In de herfst worden al die kaarten bij elkaar gelegd. Zo hoef je geen nestjes te tellen. Als vier keer op dezelfde plek een roodborstje is gehoord, weten wij dat hij daar ook heeft gebroed. Een vogel zingt omdat hij daar zijn territorium heeft.
De grote vogels worden op zicht geteld. Als je in het duin zit met een verrekijker en je ziet een kiekendief aankomen met wat takken, dan weet je dat daar ongeveer een nest moet zitten. En als hij vijf weken later met voedsel naar die plek sleept, is het een duidelijk broedgeval.
Aan de tellingen kunnen we zien of we het goed doen. Voor de lepelaar is dat op dit moment zo. In de jaren zestig was de lepelaar bijna verdwenen uit Nederland. Die vogel bouwt zijn nest op de grond, en aan de vaste wal wrden de eieren en jongen opgevreten door vossen. Zo verschoven de lepelaars naar de Waddeneilanden, want daar komen geen vossen voor. Zo zijn er dit jaar tussen de honderd en honderdvijftig broedparen van lepelaars op Terschelling.
Als het niet goed gaat vragen we ons af waar dat aan ligt, zodat we daarop in kunnen spelen. Als er dan een soort is waarmee het slecht gaat, kun je daar iets aan doen.
De blauwe kiekendief is ook typisch voor het eiland. Vroeger kwam alleen de blauwe voor op de Waddeneilanden. Daar is de bruine bijgekomen. Dat gebeurde in de jaren dat de Flevopolders werden aangelegd. De rietvelden daar verdwenen, de verstedelijking rukte op, er kwamen steeds meer wegen. De ruimte voor de bruine kiekendieven werd steeds kleiner waardoor er steeds meer naar de eilanden vertrokken. Maar op de Wadden horen blauwe te zitten. De bruine beginnen die blauwe nu te beconcurreren, dus de blauwe kiekendieven nemen af.
Hoe kunnen wij daar iets aan doen? We zullen nooit vogels gaan afschieten. Maar we kunnen wel het gebied geschikter maken voor blauwe kiekendieven. De bruine zitten namelijk altijd in rietomstandigheden zoals op de Noordsvaarder, maar de blauwe houdt meer van verruiging, drogere rietgebieden waar hier en daar wat struikjes en boompjes opkomen. Dus als je die soort tegemoet wilt komen, moet je wat gebieden laten verruigen.
Het is een taak van de boswachter om na te denken over dat soort oplossingen.' [JG]

 

SBB, deel 4: Afwisseling in het bos

Freek Blom, boswachter op Terschelling, vertelt over de bossen:

'De bossen hebben niet altijd op Terschelling gestaan.
Rond 1900 hadden de mensen zoveel last van het stuivende zand, in de dorpen en op de wegen, dat het heel vervelend was. Zelfs het weiland werd ondergestoven zodat de koeien niet meer konden grazen. In 1910 heeft de overheid gezegd dat Staatsbosbeheer naar Terschelling moest gaan om bos aan te leggen om het stuivende zand vast te leggen. Niet alleen bomen planten, maar ook helm en ruigte, alles wat nodig was om het stuiven maar tegen te gaan.
Met het aanleggen van het bos zijn ze bezig geweest tot in de zestiger jaren. Er werd gekozen voor dennen omdat die hier het best gedijen. Oostenrijkse dennen, zeedennen waar bijna niets wil groeien en op de betere plekken Corsicaanse dennen. In het begin ging het inplanten erg moeilijk, daarom besloot men eerst turf in het gegraven gat te stoppen voordat de boom erin ging. Dat werkte: veel meer bomen sloegen aan. Toen het bos begon te groeien, moest er uitgedund worden zodat de bomen elkaar niet in de weg zouden staan. De stammen die gekapt werden, konden mooi gebruikt worden voor de "landaanwinning". [zie ook het artikel van morgen]
Nu willen we het bos gaan veranderen van dennenbos naar gemengd bos. In de beginjaren was dat niet mogelijk, in het droge duin wilde niets anders groeien dan dennen. Maar nu zijn de omstandigheden veranderd. Het bos staat er inmiddels negentig jaar. Door de gevallen naalden en bladeren is er een humuslaag op de grond ontstaan. Hierdoor wordt het geschikter voor andere soorten.
Het belangrijkste in de natuur is variatie, afwisseling. Als je vroeger in die natuur keek zag je er alleen dennen, dus had je alleen dennenappels. Als er beuken staan, zijn er beukennootjes, eiken dragen eikels, lijsterbessen lijsterbessen. Dat zijn allemaal voedselvoorzieningen voor verschillende dieren. Bovendien staan onder een bepaald bos planten die van die bepaalde omstandigheden houden. Onder een dennenbos staat bijvoorbeeld heel weinig begroeiing, alleen hier en daar wat prunus. Maar als je eiken hebt, staan er wel andere struiken en kruiden.
Wij willen naar een meer afwisselend bos toe. Op de lagere gedeelten van Terschelling staan al wel veel andere bomen en planten. Een aantal zijn er van nature in gekomen en andere, zoals elzen en beuken, zijn aangeplant. Die zaaien zich op het ogenblik al uit. Wij hebben besloten de komende jaren in het bos grote dunningen te doen, zodat open plekken ontstaan. Daar komen dan vanzelf wel eikels in en beukennootjes, wilgenzaad en lijsterbessen. Zo gaan we dat bos geleidelijk veranderen.
Toch zullen niet alle dennen van Terschelling verdwijnen. Op de hogere gedeelten van het eiland, die hoge, droge duinen, zal nooit iets anders willen groeien dan den.' [JG]

 

SBB, deel 5: Terschelling groeit

Freek Blom, boswachter op Terschelling, vertelt over de landaanwinning:
'Zoals ik eerder vertelde, moest er, toen het bos begon te groeien, uitgedund worden. De gekapte bomen konden goed dienst doen bij de 'landaanwinning'. Op het brede strand werden hele rijen dennentoppen gezet om het zand op te vangen waardoor een nieuwe duinenrij ontstond. Vroeger hield het eiland op bij het Groene Strand. Nu kun je er nog kilometers ver door duinen lopen.
Met name in de jaren dertig groeide het eiland. In de crisisjaren liet de overheid mensen land aanwinnen en bossen planten om ze maar aan het werk te houden. Zo hielden ze de gemeenschap rustig en aan het werk.
In die tijd hebben ze ook de Boschplaat 'gewonnen'. Tot negentienhonderd was dat een losse zandplaat. In 1929 was de vaargeul tussen de Boschplaat en Terschelling zoveel verzand dat je lopend op de zandplaat kon komen. Daar zijn toen allemaal takkenschermen neergezet, in lange lijnen op het strand. Zo ontstonden stuifdijken waardoor tegen de zee kon worden gewerkt. Het eiland werd groter, waardoor het minder gevaarlijk werd voor de bevolking.
Er waren allerlei plannen voor landbouw en boerderijbouw op de Boschplaat. Er was zelfs een vliegveld gepland! Maar de oorlogsjaren kwamen en legden alles stil. Toen kwam de ontwikkeling van de natuur op gang. Na de oorlog moesten eerst de wegen en steden in Nederland worden opgebouwd. Voordat ze aan de minder urgente Boschplaat toekwamen was die een hele tijd blijven liggen. En op dat moment kwam er een explosie van toerisme.
De mensen kregen meer vrije tijd en trokken de natuur in. Er ontstonden natuurorganisaties en die zeiden al snel: "We moeten geen steden of wegen aanleggen: dit is mooie natuur. Mensen hebben natuur nodig en die moeten we gaan beheren."
Zo is het allemaal gegaan.' [JG]

 

SBB, deel 6: Een hele grote tuin om te beheren

Freek Blom, boswachter op Terschelling, vertelt over de afwisseling in het landschap:
'Het belangrijkste streven van een natuurbeheerder is de variatie in de natuur te houden. Als je helemaal niets zou doen dan verandert elk gebied op den duur in een bosgebied. Zelfs steden. Als je een stad zou verlaten en je komt honderd jaar later terug, dan is het een bosgebied geworden waar ruïnes in staan. Hetzelfde geldt voor de landbouwgebieden en de veengronden in Friesland. Nu is het er helemaal kaal, er is niets te zien. Maar als je op je luie kont gaat zitten, honderd jaar, dan is het bos geworden.
Een natuurbeheerder kan dus besluiten om niets te doen, waarbij hij zich realiseert dat er uiteindelijk bos zal ontstaan, of hij kan gaan sturen.
Op Terschelling willen we verschillende bossen: loofbos, dennenbos en gemengd bos. We willen open duingebieden houden, en water in de lage gebieden in het duin. De plakken noemen we dat: hele natte duinvalleien, die ooit zijn uitgestoven tot het waterpeil. In de winter, als er veel regen valt, lijken dat meren in het duin.
We hebben dus duinen, bossen en plakken, kweldergebieden en de Boschplaat waar de zee vrij toegang heeft. Daar loopt met hoog water het zoute water vrij binnen. De polder is ook weer een heel ander terrein. Al die milieugebieden willen wij hier naast elkaar behouden, want in de duinen zitten duinvogels, in de bossen bosvogels en in de kwelder zitten vogels die in de kwelder thuishoren. Dat geldt hetzelfde voor de plantensoorten. In de kwelder zit een hele andere vegetatie dan in een bosgebied.
Een ander heeft een tuintje bij zijn huis, wij beheren gewoon een hele grote tuin in Nederland. Zo moet je het zien. Door de afwisseling op een hele korte afstand is Terschelling een van de mooiste plekken van Nederland. Je begint op het strand en je loopt naar de waddendijk toe. Dan kom je al die verschillende natuurgebieden tegen, met alle verschillende vegetatie. Dat is de rijkdom van een Waddeneiland. Op een heel klein stukje van vier kilometer kom je bijna alle soorten natuur tegen die in Nederland te vinden zijn. Daarom komen mensen hier ook altijd weer terug.' [JG]

SBB, deel 7: De verhalen van de natuur

Freek Blom, boswachter op Terschelling, vertelt over de eilandroutes:
'Als een fiets- of wandelroute zeven à tien jaar bestaat, moet je hem eigenlijk aanpassen. Dan gaan we met alle collega's rond de tafel zitten. Het landschap is inmiddels iets veranderd, dus het verhaal is anders geworden en daar moet je op inspelen. Ik vertelde eerder over de bosaanplant. We kunnen nu dus een heel verhaal over het veranderen van het bos houden. Vervolgens kijken we bij welke locaties in het terrein dat verhaal het beste naar voren komt. Aan de hand van de informatie die je kwijt wilt, schets je dus de wandelroute.
Het is ook heel belangrijk dat zo'n wandeling niet alleen dóór het bos, maar ook aan de randen komt. Zodat je een stuk duin in de route betrekt waar de mensen een uitzicht over het geheel krijgen. Je moet laten zien dat er afwisseling op het eiland is.
De lengte is ook van belang. Als ik een route maak van twintig kilometer zijn er een paar fanatiekelingen die dat mooi vinden. Maar het standaardpubliek vindt een wandelingetje best leuk, maar moet anderhalf à twee uur later met de kinderen weer terug zijn omdat ze dan zin hebben in een bak koffie. Zo werkt dat.
Er zijn gebieden waar wandelingen en fietstochten doorheen gaan, die we rustig willen houden, waar wild zit of heel veel vogels broeden. Die passen we dan aan. We leggen hem er dan een eindje omheen, zodat men wel een beeld krijgt hoe mooi het is, maar de natuur niet wordt verstoord. Dat zijn dingen waar je rekening mee moet houden.
Vier jaar geleden hebben we twee studenten de opdracht gegeven in het Hoornse bos een route te maken waarbij ze moesten letten op de afwisseling en het niet verstoren van de natuur. Het moest toegankelijk zijn, dus niet te nat of moeilijk begaanbaar voor een kinderwagen. Ze kwamen terug met tien voorstellen. Met alle collega's eromheen hebben we de routes bekeken. Ieder kijkt weer net ergens anders naar, maar zo kom je uiteindelijk tot een definitieve route.
De nieuwste fietsroute hebben we een aantal jaar geleden aangelegd. Van het Groene Strand naar het noorden. Maar je bent beperkt, je kunt niet het hele eiland vol gaan leggen met wegen en paden. En het kan ook omgekeerd. We hebben het idee om in de toekomst een hele weg op te heffen. Paralel aan het fietspad van de Midslander longway loopt een weg. Die wordt heel veel gebruikt voor illegaal verkeer, ook 's nachts nog wel eens. Het is een breed pad, dus ook niet zo mooi in het landschap. Als we binnen nu en tien jaar die weg nu eens opheffen en het fietspad wat breder maken, dan is dat voor de fietsers veel aantrekkelijker, veel mooier in het landschap.
Zo zijn we voortdurend bezig nieuwe ideeën te creëren en uit te werken.' [JG]

Artikel uit de Morgenster, Oerol Festival, 2000