
Op de achterkant van Dit is theater staat:
Het eerste woord dat Jesse Goossens (Hilversum, 1969) sprak was 'boekje'. Al haar hele leven doet ze niets liever dan lezen en schrijven. Haar tweede grote liefde is theater: het bezoeken ervan én zelf acteren. In Dit is theater komen beide passies samen.
In Vrouwen die de wereld veranderen is een Persoonlijke Noot opgenomen:
Op het moment dat ik de opdracht aanvaardde om Vrouwen die de wereld veranderen te schrijven, werd ik weer wie ik ooit was.
Betrokken en onttrokken
Politiek bewust en maatschappelijk betrokken opgevoed, werd ik als zesjarige
teruggestuurd naar de groenteboer omdat hij me Outspan-sinaasappelen had
verkocht, organiseerde ik met een vriendje van de basisschool de eerste
kinderkruisrakkettendemonstratie en liep ik als tiener mee in de grote antikernwapenprotesten.
In het conservatieve dorp waar ik opgroeide, was de PSP-poster die voor
ons raam hing een reden tot gefluister onder buurtgenoten. Mijn leraren
op de middelbare school zullen soms wanhopig zijn geworden door de felheid
waarmee ik me in discussies mengde: tegen de Koude Oorlog, tegen de doodstraf,
voor sociale gelijkheid. De schoudertas waarin ik mijn schoolboeken meesjouwde,
was voorzien van een groot vredesteken en de nodige anti-van-alles-buttons.
Toen ging ik studeren: Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht. De demonstratie
tegen het bloedbad dat in 1989 onder protesterende studenten op het Tien-an-menplein
in Beijing werd aangericht, was de laatste waaraan ik deelnam. Daarna koos
ik ervoor om me onder te dompelen in fictie, in de schoonheid van de wereld
die opgeroepen kan worden door woorden. Literatuur en theater vormden de
basis van mijn twintiger jaren. Mijn politieke betrokkenheid raakte op de
achtergrond.
Eind 2003 vroeg Jean Christophe Boele van Hensbroek, uitgever bij Lemniscaat,
of ik er wat voor zou voelen om over de wereld te reizen om vrouwen te interviewen
die strijden voor sociale rechtvaardigheid: vrouwen die zich inzetten voor
het behoud van culturele identiteit en biodiversiteit en die vechten tegen
de desastreuze gevolgen van de neoliberale globalisering. Ik zei 'ja' voordat
hij uitgesproken was en het voelde alsof ik thuiskwam.
Waarom vrouwen?
Pas nadat ik spontaan had toegezegd, begon ik me af te vragen waarom er
alleen vrouwen in het boek opgenomen moesten worden. Zelf ben ik geen rasfeministe:
dat vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn is voor mij zo vanzelfsprekend
dat ik er verder niet bij nadenk -- een andere gedachte stuit me tegen de
borst.
Mijn uitgever vertelde zijn beweegredenen voor deze keuze: het is opvallend
dat juist in de strijd voor een sociaal rechtvaardiger wereld, in de protesten
tegen de gevolgen van de economische globalisering, vrouwen het voortouw
nemen. Ik keek om me heen en zag dat hij gelijk had. Ik besefte dat mijn
houding tegenover de gelijkheid van mannen en vrouwen een luxepositie was,
die ik in kon nemen omdat ik in Nederland woon, waar een groot deel van
de feministische strijd al gestreden is. Ik hoefde maar naar andere landen
te kijken -- niet eens zo ver buiten Nederland -- en ik kon zien dat het
daar anders was. En bovendien, een mannenboek kon altijd nog.
Ik was overtuigd. Samen stelden we een lijst op van vrouwen die ik zou gaan
ontmoeten. Een aantal namen lag direct voor de hand: Noreena Hertz, Naomi
Klein, Vandana Shiva, Susan George, Anita Roddick en Maude Barlow zijn al
wereldwijd erkend als leidende figuren in de strijd tegen de neoliberale
globalisering. Andere vrouwen presenteerden zich aan ons tijdens het onderzoek
naar de beweging of werden ons gesuggereerd door de ontwikkelingsorganisatie
Cordaid. We vonden dat Vrouwen die de wereld veranderen vertegenwoordigers
van de strijd uit alle werelddelen aan het woord moest laten. We besloten
dat ook de Latijns-Amerikaanse Virginia Vargas, de Indiase Radium Bhattacharya
en de Afrikaanse Lucy Mulenkei en Margaret Legum een plek zouden krijgen
in het boek.
Tien sterke vrouwen telde nu ons wensenlijstje. Het werk kon beginnen.
Groeiende woede
Ik begon te lezen. Stapels literatuur heb ik doorgeploegd: boeken, essays,
biografieën, interviews en artikelen van, met en over de vrouwen die
ik zou interviewen; rapporten van instituten als het Intermonetair Fonds
en de Wereldbank (door Susan George zo treffend The Terrible Twins
genoemd), de Wereldhandelsorganisatie en informatie over overeenkomsten
als de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT), de General Agreement
on Trade in Services (GATS) en de Free Trade Agreement of the Americas (FTAA)
-- en uiteraard de tegenliteratuur, zoals ik die doopte: de publicaties
van de Social Forums en auteurs als Noam Chomsky, Ralph Nader en Joseph
Stiglitz. Te veel om op te noemen.
Ik dacht dat ik enigszins wist hoe de wereld in elkaar stak. Nu kwam ik
erachter hoezeer ik de laatste jaren mijn kop in het zand had gestoken.
Verbijsterd raakte ik door de dingen die ik las. Hoe is het mogelijk dat
de wereld toestaat dat de Verenigde Staten hun eigen patentrecht bedenken,
waardoor boeren in derdewereldlanden opeens royalty's moeten gaan betalen
voor de gewassen die hun voorvaderen al eeuwenlang verbouwden? Hoe kan het
zijn dat multinationals de waterbronnen opkopen waar honderdduizenden mensen
van afhankelijk zijn, het water in flesjes stoppen en het aan diezelfde
mensen proberen terug te verkopen tegen prijzen die de meesten van hen niet
kunnen opbrengen, waardoor ze voor hun bestaan afhankelijk worden van vervuilde
bronnen vol ziektekiemen?
Terwijl ik las, groeide mijn woede om de gewetenloosheid waarmee de wereld
geregeerd wordt en het onrecht dat zegeviert. Ook binnen Nederland.
Waarom besteedt niemand er aandacht aan dat wij waarschijnlijk veel dieper
in de Irakoorlog zijn verwikkeld dan de regering ons doet voorkomen? Waarom
denkt niemand verder na over het feit dat Paul Bremer vijf weken voor het
uitbreken van de Irakoorlog en drie maanden voordat hij door George W. Bush
als civiel bestuurder van Irak werd benoemd, nog Den Haag bezocht, waar
hij onder meer sprak met vertegenwoordigers van de ministeries van Defensie
en van Buitenlandse Zaken, en ook met topfunctionarissen uit het bedrijfsleven?
Op de dag dat ik dit schrijf staat in de Volkskrant dat het Nederlandse
bedrijfsleven -- in tegenstelling tot de meerderheid van het Nederlandse
volk en de Tweede Kamer -- hoopt dat Bush de presidentsverkiezingen zal
winnen. Tien miljoen dollar hebben de Nederlandse topbedrijven in zijn campagne
gestoken.
Ik was overtuigder dan ooit dat Vrouwen die de wereld veranderen
geschreven moest worden.
Groeiende kracht
Acht maanden geleden stapte ik voor mijn eerste interviews op het vliegtuig
richting India. Tijdens deze reis en de reizen die volgden, praatte ik niet
alleen met de vrouwen voor het boek, maar keek ik om me heen en proefde
de atmosfeer van ieder land, iedere streek, ieder dorp. Ik ervoer de openheid
en gastvrijheid van de lokale bevolking en de achterdocht van autoriteiten.
Ik ontmoette talloze mensen, voerde urenlange gesprekken, wandelde tot de
blaren op mijn voeten stonden en zag de gevolgen van de neoliberale globalisering,
maar ook de resultaten die in de strijd ertegen behaald waren.
In India zag ik hoe in Bhopal -- waar twintig jaar geleden ontsnapt gifgas
uit de Union Carbide-fabriek duizenden doden eiste -- koeien graasden op
de vergiftigde grond en de bewoners de oude gifvaten als drinkwaterreservoir
gebruikten. Maar ik merkte ook hoe goed daar de zelfvoorzienendheid zegeviert,
ondanks de onstuitbare opkomst van multinationals. En ik zag hoe -- door
de strijd die door drie vrouwen in gang werd gezet -- personen die met hiv/aids
besmet zijn, weer als mensen worden benaderd in plaats van als paria's.
In Kenia liep ik door een Masai-vallei waar een inheemse plantentuin was
ingericht; ik ervoer hoe alle traditionele kennis over het medicinale en
rituele gebruik van struiken, planten en bomen daar behouden is en wordt
overgedragen op jongere generaties. In Zuid-Afrika bezocht ik tijdens de
verkiezingen stembureaus in de townships van Kaapstad, waar iederéén
gaat stemmen: lange rijen stonden er voor de lokalen, vrouwen zongen, er
werd gebarbecued en iedereen was in een feeststemming in de volle overtuiging
dat -- voor het eerst in de tien jaar dat er verkiezingen werden gehouden
-- het ANC ook in Kaapstad de meerderheid van stemmen zou behalen.
In New York luisterde ik mee in een auditorium vol jonge optimistische studenten
die plannen maakten voor een menselijkere regering in de Verenigde Staten,
tijdens de conferentie Beyond Bush: Life after Capitalism. In Parijs woonde
ik een grote demonstratie bij die werd gehouden tegen de privatisering van
de Franse energiebedrijven: in de zon protesteerden duizenden, in de wetenschap
dat als er maar genoeg mensen opstaan, er uiteindelijk geluisterd moet worden.
En in Nederland liep ik op 2 oktober over de Dam in Amsterdam tussen tientallen
organisaties en honderdduizenden mensen die geloven dat het anders kan.
Deze gebeurtenissen illustreerden de gepassioneerde verhalen waarvoor ik
in eerste instantie was afgereisd.
Vrouwen die de wereld veranderen
Ik heb niet de middelen om naar iedere Wereldbankvergadering of ieder Handelstopoverleg
af te reizen om te demonstreren. Ik wil mijn leven niet in de waagschaal
stellen door voor een tank te stappen waarmee de democratische en sociale
rechten van de bevolking waar ook ter wereld worden geschonden. Maar ik
bezit wel een niet-aflatende nieuwsgierigheid naar wat mensen beweegt, een
fikse dosis energie en de kracht van mijn pen. En het is de combinatie van
die drie factoren die ik in kan zetten in mijn persoonlijke strijd voor
een sociaal rechtvaardiger wereld.
Met hart en ziel heb ik aan Vrouwen die de wereld veranderen gewerkt,
en ik hoop dat de stemmen van de vrouwen in de gesprekken tot leven komen,
dat hun kracht, humor, passie en relativeringsvermogen voelbaar zijn en
dat de noodzaak van hun strijd naar voren komt. Ik hoop dat door dit boek
lezers gaan beseffen wat er in de wereld aan het gebeuren is -- en misschien
laten sommigen zich zelfs inspireren door de verhalen. Want er is één
ding waarvan ik door dit project overtuigd ben geraakt: een andere wereld
ís mogelijk!
Amsterdam, oktober 2004
Ten slotte staat achterin Right
To Play het volgende:
Nu jullie dit boek gelezen hebben, zijn jullie misschien nieuwsgierig
naar degene die het geschreven heeft. Dat ben ik dus, Jesse Goossens.
In januari 2005 kreeg ik de ongelofelijke opdracht om een boek te maken
over de organisatie Right To Play. Waarom ik? Ik denk dat ik vooral veel
geluk heb gehad. Ik werd uitgekozen omdat ik al eerder had gereisd, omdat
ik al vaker boeken heb geschreven - voor kinderen én voor volwassenen
- en omdat ik geloof dat de wereld een betere plek kan worden voor iedereen.
Ik ontmoette Johann Olav Koss en Frank Overhand, de directeur van Right
To Play Nederland, die me vol vuur vertelden wat Right To Play doet. Hun
verhalen waren zo aanstekelijk dat ik zonder aarzelen 'ja' zei en op reis
ging om projecten van Right To Play in Afrika en het Midden-Oosten te bezoeken.
Ik leerde de landen kennen van een kant die je niet op televisie ziet
of in boeken terugvindt. Het is al anders als je de zon op je huid voelt
branden, omringd wordt door muziek, de geuren van een ander werelddeel ruikt
en kunt praten met de mensen die er wonen. Maar ik kwam bovendien op bijzondere
plekken. Ik bezocht vluchtelingenkampen in Palestina waar geen toerist komt,
ik liep door de krottenwijken van Mali omringd door vrolijke kinderen, en
danste op een heuvel in Rwanda op Afrikaans getrommel.
Natuurlijk zag ik afschuwelijke dingen: honger, geweld, armoede en ziekte.
Ik sprak kinderen die hun familie waren kwijtgeraakt door oorlog en ontmoette
zieke kinderen die nooit zo oud zullen worden als ik nu ben. Maar wat ik
vooral zag, was hoe eenvoudig het is om het leven van deze kinderen te veranderen.
Ik hoorde ze lachen, zag ze spelen en merkte hoe ze sterker werden en meer
zelfvertrouwen kregen. Iedereen werd gelukkiger tijdens de activiteiten
die door Right To Play waren georganiseerd: de kinderen, de coaches en zelfs
de mensen uit de buurt die naar de spelende kinderen kwamen kijken.
Door wat ik zag en hoorde - in Palestina, in Rwanda, bij de Verenigde Naties
in New York en in Mali - weet ik het nu zeker: Sport en spel maakt een wereld
van verschil.
Right To Play maakt het leven vrolijker voor honderdduizenden kinderen.
Ik hoop dat jullie door dit boek ook vrolijk zijn geworden.
Help dan mee, steun Right To Play, want met zijn allen kunnen we de wereld
veranderen.
Amsterdam, 5 oktober 2005