Naomi Klein is in New York, eind augustus 2004, een week voordat
in die stad de Republikeinse Conventie zal plaatsvinden. De avond voor het
gesprek heeft ze tijdens de conferentie Beyond Bush: Life after Capitalism
in een overvol auditorium een bezielde redevoering gehouden. Ze sprak over
Irak, waar ze begin dit jaar bijna een maand doorbracht. Ze uitte haar woede
en frustratie over het beleid van de Verenigde Staten en de oorverdovende
stilte waarmee het publiek op de oorlogsgruweldaden reageert.
Naomi sprak rustig, bijna zacht, maar indringend en helder. Ze stond achter
de katheder, liet de ogen van het publiek geen moment los en bouwde haar
speech op: steeds luider sprekend totdat ze uiteindelijk, met haar vuist
slaand op het spreekgestoelte, haar slotbetoog hield en de toehoorders opriep
tijdens de Republikeinse Conventie te gaan demonstreren -- ondanks het verbod
van de gemeente -- in Central Park.
'En ik vind bovendien dat we het Iraakse volk méér verschuldigd
zijn dan alleen onze woede,' zei ze, terwijl haar ogen vuur spuugden. 'We
zijn het méér verschuldigd dan alleen onze temper tantrum.
We zijn het resultaten schuldig. We zijn het de bevrijding van deze bezetting
schuldig. Bevrijding van onze regering en van ons bedrijfsleven. We zijn
het zelfs nog meer verschuldigd. We zijn het een ongekend groot herstel
schuldig voor twee oorlogen en jarenlange sancties.'
Ze kreeg -- als enige die avond -- een staande ovatie.
De plundering van Irak
'Ja, dat is waar,' Naomi Klein straalt een dag later nog blij verbaasd bij
de herinnering, 'het was gisteren een doorbraak voor me om te kunnen zeggen
wat we zouden moeten doen en op welke manier. En om te kunnen zeggen waar
we fout zitten. Ik was heel blij met hoe de speech uitpakte.'
Naomi was in de lente van 2004 bijna een maand in Irak. In haar columns
maakte ze in deze periode gewag van zaken die het Amerikaanse volk, en ook
ons in Europa, nauwelijks bereiken. Ze berichtte over de vreedzame protesten
in Irak; over Irakese soldaten die uit het leger treden omdat ze niet op
hun eigen volk willen schieten; over arbeidersstakingen in door de Amerikaanse
bezetter overgenomen bedrijven; over ministers die hun ambt neerleggen uit
protest tegen het handelen van de VS.
Ze stelde de Amerikaanse vriendjespolitiek aan de kaak waardoor familieleden
van leden van de Bestuursraad op topposities worden geplaatst en bevriende
bedrijven de beste contracten toebedeeld krijgen. Ze schreef dat particuliere
-- Amerikaanse -- aannemers, gevangenen in Irak martelden om informatie
te krijgen, en dat ze een prominente rol speelden in de beruchte Abu Ghraib-gevangenis.
Ze legde uit dat de door de Amerikanen ingestelde 'voorlopige' grondwet
op zo'n manier is opgezet dat die de Verenigde Staten het recht geeft de
Irakese regering tot het einde der tijden te blijven controleren. En ze
beschreef hoe Irakese gelden, onder andere bestemd voor watervoorziening
en gezondheidszorg, door de bezetters werden geconfisqueerd en hoe de Irakese
ziekenhuizen, telefooncentrales en waterleidingbedrijven aan hun lot worden
overgelaten onder het mom van 'zelfredzaamheid'.
'Ik ben naar de moskeeën gegaan en naar demonstraties,' schrijft Naomi
in een van haar columns, 'en heb geluisterd naar aanhangers van de radicale
sjiitische leider Muqtada al-Sadr die schreeuwden: "Dood aan Amerika,
dood aan de joden", en het klopt: het is huiveringwekkend. Maar het
is het diepe, intense gevoel van teleurstelling en verraad, zoals uitgedrukt
door een pro-Amerikaanse zakenman aan het hoofd van een Pepsi-fabriek in
Irak, dat duidelijk maakt hoe diep de door de VS gecreëerde catastrofe
hier zit. "Ik ben teleurgesteld, niet omdat ik een hekel heb aan de
Amerikanen," zegt deze zakenman, "maar omdat ik ze mag. Als je
van iemand houdt en hij kwetst je, dan doet het des te meer pijn."'
Naomi heeft zojuist ook een hoofdartikel over Irak geschreven voor Harper's
Magazine, een stuk van tienduizend woorden. Zij wilde dat het zou verschijnen
vóór de Republikeinse Conventie en dat is gelukt. Het artikel
draagt de veelzeggende titel 'Bagdad, jaar nul: het plunderen van Irak voor
een neoconservatief Utopia'. Ze beschrijft op beklemmende wijze hoe crisismanager
en terrorisme-expert Paul Bremer -- in de jaren tachtig Amerikaans ambassadeur
in Nederland -- vier weken na de val van Bagdad, als Hoofdafgezant van de
Verenigde Staten, aankwam in de Irakese hoofdstad en in minder dan twee
maanden de weg vrijmaakte voor het zakenleven. Diezelfde Paul Bremer was,
voordat hij in overheidsdienst kwam, directeur van Air Products and Chemicals
Inc., Akzo Nobel NV, The Harvard Business School Club of New York en The
Netherland-America Foundation, en gevolmachtigde van The Economic Club of
New York. Hij was, kortom, in hart en nieren een man van het bedrijfsleven.
Paul Bremer liet de Irakese economie een shocktherapie ondergaan: hij ontsloeg
een half miljoen staatswerkers, kondigde de privatisering van zo'n tweehonderd
staatsbedrijven aan en voerde verregaande economische hervormingen door.
Aan de hand van schokkende persoonlijke verhalen beschrijft Naomi hoe deze
acties van Bremer haat creëren tegen alles wat westers is. Ze citeert
bijvoorbeeld Mahmud, een jonge beveiligingsbeambte van een fabriek die ze
in het geheim treft. Mahmud vertelt hoe de oude fabrieksdirecteur een paar
weken nadat het privatiseringsplan van Bremer was bekendgemaakt, op weg
naar zijn werk werd doodgeschoten. Omdat hij voor de privatisering van zijn
bedrijf zou zijn geweest, vermeldden de officiële rapporten, zou hij
door rebellen zijn vermoord. Maar Mahmud weet wel beter: de directeur was
juist faliekant tegen de Amerikaanse privatiseringsplannen geweest.
'Muqtada Al-Sadr verzamelde de economische slachtoffers die Bremer had gemaakt,
kleedde hen in het zwart en gaf hun roestige kalashnikovs,' schrijft Naomi.
Zo worden er nieuwe terroristen gerekruteerd. De rebellie die Bremer met
zijn shocktherapie oproept, maakt het uitvoeren van zijn eigen plannen onmogelijk.
Ondanks het krachtige artikel, ondanks de feiten waarmee ze de avond tevoren
haar luisteraars nu eens stom van verbijstering en dan weer uitzinnig van
woede had gekregen, aarzelt Naomi of ze haar gedachten over Irak in boekvorm
moet gieten. 'Ik ben er eerlijk gezegd gewoon niet zo zeker over. Ik heb
genoeg materiaal voor het boek en ik heb al een grove opzet. Maar ik weet
niet zeker of
', ze spreekt de woorden aarzelend uit, 'of een boek
wel de juiste vorm is om wat ik weet te uiten.
Ik denk dat ideeën hun eigen medium vinden, het medium dat ze verdienen.
Iedere twee weken schrijf ik columns voor dagbladen die ook op het internet
worden gepubliceerd. Ik maak films en houd speeches. Ik doe onophoudelijk
onderzoek en probeer voortdurend ruimte te krijgen in de algemene media.
Mijn grootste probleem is in feite dat ik, op het moment dat ik een boek
ga schrijven, díé ruimte moet opgeven. Daar heb ik grote moeite
mee, zeker op dit moment, omdat ik erg betrokken ben bij het dagelijkse
nieuws.
Daarnaast kan ik de manier waarop tegenwoordig in een noodtempo boeken worden
geproduceerd niet echt respecteren. Ik vind namelijk dat je iets diep origineels
te zeggen moet hebben voordat je een boek schrijft. Ik vind dus eigenlijk
dat er te veel boeken zijn.' Ze lacht om hoe dat klinkt.
'Als ik één keer in de tien jaar een boek schrijf -- en niet
elke drie jaar zoals mijn uitgever wil -- is dat niet noodzakelijkerwijs
een tragedie. Sommige mensen meten zich een houding aan: "Ik schrijf
boeken, dat is wat ik doe, dus of ik nou een groot idee heb, of een klein
idee, of een krabbel op een cocktailservet, ik maak er gewoon een boek van."'
Ze giechelt. 'Zo iemand wil ik niet zijn.'
No Logo voorbij
In 2000 werd Naomi in één klap beroemd met haar boek No Logo:
De strijd tegen de dwang van wereldmerken. Het boek werd in 27 talen vertaald
en Naomi was direct een van de belangrijkste gezichten van de andersglobalistenbeweging.
In No Logo maakt zij op aanstekelijke, vaak humoristische wijze duidelijk
hoe merken als Coca-Cola, Disney en Nike stormenderhand de wereld veroveren
door te appelleren aan de diepste wens van het individu ergens bij te horen.
Schrijnend is de tegenstelling die ze beschrijft tussen de droomwereld die
de merken voorspiegelen en de harde werkelijkheid van de wijze waarop deze
multinationals groot zijn geworden en aan de top blijven.
In deel I van No Logo, getiteld 'Geen ruimte', beschrijft Naomi bijvoorbeeld
hoe in het globaliseringstijdperk de ruimte van cultuur en onderwijs wordt
gevuld door de marketing van het mondiaal opererende bedrijfsleven. Er hangen
tegenwoordig Levi's-reclames boven de openbare universiteitstoiletten --
en ook in de uitgeversbranche is de marketing aan een onstuitbare opmars
bezig, zoals blijkt uit Naomi's eigen ervaring met haar uitgever die zou
willen dat ze elke drie jaar een nieuwe bestseller produceert. Op deze wijze
wordt Naomi zelf verheven tot zo'n merk dat ze zelf juist zo verafschuwt.
'No Logo is doorgebroken omdat het over merken ging,' weet Naomi. 'Het
boek was een culture jam op zich.' Culture jamming is een vorm van media-activisme.
Het begon ooit met het veranderen van billboards en is inmiddels doorgedrongen
tot alle media. Bij een culture jam worden de bekendheid en de esthetiek
van logo's en bedrijven tegen zichzelf gebruikt. Activisten vervormen de
beeldmerken tot protesten en hebben -- juist door de overbekendheid van
de logo's -- direct toegang tot een massapubliek. 'Dat was precies wat No
Logo doet: het is een boek over economie dat branding, het focussen op merken,
tegen zichzelf gebruikt. Dat maakt het boek sexy, aantrekkelijk voor jonge
mensen.
Ik vond het geweldig dat het aansloeg, maar dat betekent niet dat ieder
boek dat ik schrijf die impact zal hebben. Ik wil namelijk niet nog een
boek over Coca-Cola schrijven, al weet ik heus wel dat dat verkoopt. Als
je je richt op McDonald's of op WalMart, dan ben je direct op een bepaalde
manier deel van de massacultuur. Je spreekt een algemeen bekende taal. Dat
is aanlokkelijk: er is verder niet één taal die iedereen aanspreekt.
De keuze van zo'n onderwerp is een makkelijke manier om een groot publiek
aan te boren en allerlei grenzen te overbruggen. Maar No Logo vertelt niet
het hele verhaal. Ik zei al aan het eind van het boek: dit is het begin
van een discussie. De merken zijn de ingang naar de wezenlijke problematiek.'
Letterlijk schreef Naomi in No Logo: 'Nike en Shell zijn glanzende, nieuwe
poorten die ons een opening bieden naar de veel gecompliceerdere en veel
minder aanlokkelijke wereld van de internationale wetgeving. En al zal het
niet gemakkelijk zijn en veel tijd vergen, we zullen zelf als democratische
burgers onze eigen uitweg vinden. Misschien voelen we ons een beetje als
Theseus die zich in het labyrint van de Minotaurus liet leiden door de draad
van Ariadne, maar er zit niets anders op. Politieke oplossingen -- verantwoording
verschuldigd aan de bevolking en afdwingbaar door gekozen vertegenwoordigers
-- verdienen nog een kans voordat we de handdoek in de ring gooien en genoegen
nemen met bedrijfscodes, onafhankelijke inspecteurs en de privatisering
van onze collectieve rechten als staatsburgers.'
'Ik ben die poorten die ik beschreef doorgewandeld,' zegt Naomi nu, bijna
vijf jaar na het voltooien van No Logo. 'Maar dat wil niet zeggen dat iedereen
me zal volgen. Er zijn veel mensen die de discussie zijn aangegaan, die
een standpunt hebben ingenomen, die deelnemen aan culture jamming of een
specifiek bedrijf op de korrel nemen. Kijk maar eens naar de jonge mensen
die hier op de Beyond Bush-conferentie bij elkaar zijn gekomen om te praten
over een leven ná het kapitalisme. Hun kritiek wordt steeds krachtiger,
hun mening ontwikkelt zich steeds verder. Maar doordat we ons verder ontwikkelen,
raken we op een bepaalde manier ook geïsoleerd.
Als we alleen maar bedrijven aanvallen, zijn we makkelijker te begrijpen.
Het is dan moeilijker voor zakenlieden om ons als 'gestoord' af te schilderen.
Maar inmiddels zijn we volledig afgeweken van de alledaagse discussies waardoor
we voor een groot publiek nauwelijks meer te begrijpen zijn. Soms denk ik
bijna dat we onze aandachtsboog korter moeten maken.
Activisten raken verveeld als ze lang met één onderwerp bezig
zijn; we weten dat je verder moet gaan, dieper moet graven, meer moet uitzoeken
voordat bepaalde kennis algemeen wordt. Maar er zijn ook mensen nodig die
niet denken: dat weet ik allemaal allang. We hebben mensen nodig die blijven
zitten en doorgaan totdat iederéén van de feiten doordrongen
is. Neem bijvoorbeeld Fahrenheit 9/11 van Michael Moore. Jouw en mijn reactie
op die film is: "Ik wist het allemaal al." Maar die film is helemaal
niet voor jou of mij bedoeld. Die film is bedoeld voor de overgrote meerderheid
die het níét weet.'
Ouder en wijzer
'De afgelopen vijf jaar was ik buitengewoon bevoorrecht. No Logo werd in
allerlei talen vertaald. Ik werd in talloze landen uitgenodigd en kon de
hele wereld over reizen.
In de loop der tijd leerde ik hoe ik mijn reizen het best vorm kon geven.
In het begin liet ik mijn uitgevers me nog vertellen waar ik heen moest
gaan. Zij stuurden me de aardbol over. Maar langzamerhand nam ik zelf de
controle over en begon ik het houden van lezingen te combineren met het
doen van plaatselijk onderzoek en het ontmoeten van mensen, zodat ik voortdurend
nieuwe ervaringen opdeed. Zo werd ik bijvoorbeeld voor een lezingentournee
in Australië gevraagd. Ik heb er toen voor gezorgd dat ik daar ook
een week de woestijn in kon trekken om inheemse activisten te ontmoeten
en meer te weten te komen over hun strijd. Dat is verrijkend.
Het is jammer voor de mensen die die balans niet kunnen vinden, die alleen
maar weten hoe je speeches moet houden. Dat is treurig: rondreizen en zeggen:
"Hallo Brazilië, blablablablabla." En even later: "Hallo
New York, blablablablabla."
In het begin was ik natuurlijk een protégee, een ingénue.
Daardoor kreeg ik het gevoel dat ik gebruikt werd als onderdeel van mijn
succes -- niet omdat ik een goede schrijver was, maar omdat ik dit boek
voor mijn dertigste had geschreven.
Inmiddels voel ik me niet alleen ouder, maar weet ik ook dat ik tamelijk
unieke ervaringen heb opgedaan waar ik uit kan putten. Dát is volwassen
worden, en ik ben blij dat ik geen kind meer ben. Er zijn veel goede kanten
aan volwassen zijn -- je wordt serieuzer genomen. Neem deze conferentie
bijvoorbeeld: ik heb het gevoel dat er een gezonde tien jaar zit tussen
mijzelf en de jonge vrouwen die de bijeenkomst hebben georganiseerd. Ik
word nu echt heel kwaad als mensen me bevoogden.
Nu ik meer ervaring heb, nu ik bijvoorbeeld helemaal ben ondergedompeld
in Irak, nu wéét ik dat ik veel meer weet. Zeker als het om
Irak gaat raak ik bijna in paniek over hoeveel meer ik weet dan de rest
van de mensen
' Even is ze stil en ze barst dan in lachen uit. 'Dat
betekent waarschijnlijk dat ik tóch dat boek moet schrijven.'
Een cyclus van spreken en luisteren
'Om No Logo te kunnen schrijven, heb ik me bijna letterlijk opgesloten.'
Het is duidelijk dat deze beslissing een opoffering voor Naomi is geweest.
'Het schrijven van een boek is iets verschrikkelijks moeilijks, en ik denk
dat als je het niet moeilijk vindt, dat je het dan verkeerd doet. Ik heb
me er dus helemaal voor vrijgemaakt. Ik reisde wel en deed onderzoek, maar
ik schreef geen columns, ik hield geen speeches en ik zag mijn vrienden
niet. Ik had mezelf teruggetrokken, losgemaakt, juist om opnieuw betrokken
te kunnen raken.
Onze levens hebben af en toe zo'n cyclus nodig: afstand nemen en je opnieuw
engageren. Daarom maak ik me zorgen om de manier waarop onze Beweging' --
net als de meeste westerse activisten spreekt Naomi over 'the Movement'
als ze de strijd tegen de negatieve effecten van de neoliberale globalisering
beschrijft -- 'slechts een paar woordvoerders uitkiest. Ik was daar een
van
In de jaren na het verschijnen van No Logo realiseerde ik me dat
praten over dat ene onderwerp mijn hele leven in beslag zou kunnen nemen.
Ik vind het geweldig om een speech te houden, maar ik wil daar niet mijn
bestaan aan wijden. Er is een groep mensen die inderdaad van podium naar
podium trekt. Sommigen van hen zijn begenadigde sprekers en fantastische
performers en ze vinden het geweldig om te doen, maar zo zit ik niet in
elkaar.
Het uitgangspunt van de Beweging is antiautoritair, we hebben geen leiders.
Toch stellen we onszelf tevreden met het recyclen van stemmen die we al
jaren gebruiken, tot in een schandalige mate. De man die me zo meteen, na
dit gesprek, gaat interviewen kwam bijvoorbeeld op me af met de woorden:
"Ik maak een documentaire en ik heb Noam Chomsky en Howard Zinn al
gesproken." Ik repliceerde direct: "Wat een origineel idee."'
Naomi grinnikt een beetje beschaamd. 'Soms ben ik echt een kreng.
Het punt is dat ik het gevoel heb dat ik veel te veel word gebruikt. Ik
heb geprobeerd daar iets aan te doen: ik heb mezelf van het podium afgewerkt.
Er schuilt iets hypocriets in het praten over een niet-autoritaire beweging
met alleen aanhangers, en jezelf dan toch tevreden stellen met constant
voor in de zaal te staan en te spreken. Het is noodzakelijk je af en toe
uit de openbaarheid terug te trekken. Wie altijd praat, luistert niet.Wat
mij energie geeft is juist het anoniem zijn, het onderzoek kunnen doen,
zoals ik dat acht maanden lang in Argentinië heb gedaan.'
Eind 2002 trokken Naomi en haar echtgenoot, de filmmaker Avi Lewis, naar
Buenos Aires om een documentaire te maken over groepsdemocratie. Het resultaat
is The Take: een dubbelzinnige titel die niet alleen 'de filmopname' kan
betekenen, maar ook 'de overname' en 'de grote slag'. De film laat zien
hoe dertig werkeloze fabrieksarbeiders besloten hun verlaten fabriek te
bezetten en weigerden weg te gaan voordat de machines weer gingen draaien.
Het motto van de film is 'Occupy. Resist. Produce' -- 'Bezet. Verzet. Produceer'.
In september 2004 werd de documentaire, die het globaliseringdebat een nieuwe
draai hoopte te geven, met verbazing en overweldigend enthousiasme ontvangen.
'Ik kon deze documentaire alleen maar maken door niet één
interview aan te nemen terwijl ik daar zat,' vertelt Naomi. 'Ik liet niemand
met me spreken en dat was best moeilijk, want No Logo is een bestseller
in Argentinië. Maar voor mij was het van belang om niet voortdurend
zelf aan het woord te zijn en de rust te vinden voor mijn onderzoek. Trouwens,'
corrigeert ze zichzelf, 'ik ben wel even in de openbaarheid getreden, maar
alleen toen de bezette fabrieken waar ik aan het filmen was werden aangevallen.
Ik heb toen voor de arbeiders tegen de pers gesproken. En ik sprak op hun
bijeenkomsten om internationale steun te betuigen. Ik was daar toch.
Nu geef ik weer lezingen, maar daar heb ik soms wel moeite mee. Neem nou
deze conferentie in New York. Ik heb de uitnodiging aangenomen omdat ik
het een uitdagend onderwerp vind, maar het komt erop neer dat ik praat,
praat en praat en dat ik geen flauw idee heb wat de rest van de deelnemers
te zeggen heeft.
Ik werd wanhopig toen ik hetzelfde op het World Social Forum zag gebeuren.
Het ging er niet eens zozeer om dat dezelfde mensen voortdurend aan het
woord waren -- ik zag dat er geen enkele manier was om ze aan het luisteren
te krijgen. Maar ja, als je jezelf voor zes panels per dag opgeeft, kún
je niet luisteren. Terwijl je juist moet luisteren om iets nieuws te kunnen
zeggen.
Tijdens het tweede World Social Forum heb ik daarom concreet voorgesteld
dat er een regel ingesteld zou moeten worden dat als je het ene jaar lezingen
geeft, je het volgende jaar als toehoorder moet komen. Je zou niet twee
jaar achter elkaar mogen spreken. Om de daad bij het woord te voegen, ging
ik het jaar erop als toehoorder naar het forum en gaf ik niet één
lezing. Mensen werden kwaad op me, ze vonden dat ik dan maar niet moest
komen. Ik heb geprobeerd hun duidelijk te maken dat het niet draait om "niet
gaan", maar juist om "wel gaan en luisteren". Ze begrepen
mijn motivatie niet en ik kreeg het idee dat ze zich erdoor veroordeeld
voelden.
Toch hoeft het niet zo te gaan. Ik denk dat een van de oplossingen is --
en dat doe ikzelf nog te weinig -- dat mensen die zijn "gekozen"
om te spreken, actiever andere woordvoerders scouten, de taak van mentor
op zich nemen. Sommige sociale bewegingen doen dat heel goed. Er is bijvoorbeeld
een groepering in Ontario, The Ontario Coalition Against Poverty, waar ze
altijd in paren optreden. Dus als de "leider" -- degene die iedereen
als de leider beschouwt: John Clark -- ergens komt speechen, dan neemt hij
altijd een jonge vrouw mee met wie hij het podium deelt. Op die manier worden
nieuwe woordvoerders getraind: mensen die allemaal goed in het openbaar
kunnen spreken en die allemaal op de juiste manier met de media kunnen omgaan.
Als je dan zelf ergens geen tijd voor hebt, kun je zeggen: "Hier heb
je de namen van drie jonge vrouwen die mijn plaats kunnen innemen. En ze
zijn geweldig."'
Leider tegen wil en dank
In ieder gesprek dat ze voert en bij iedere conferentie waarop ze spreekt,
geeft Naomi aan dat ze niet gebrandmerkt wil worden als leider van de Beweging.
Het mooie aan de Beweging, vindt ze, is juist dat er geen leiders zijn.
Maar de feiten spreken haar tegen. Zelf geeft ze ook aan dat er charismatische
woordvoerders nodig zijn om beweging in de Beweging te krijgen.
Op de avond van de Beyond Bush-conferentie werd dat eens te meer duidelijk.
Voorafgaand aan de speeches werd er een preview vertoond van de film The
Fourth World War. 'De Vierde Wereldoorlog' is de benaming die de Zapatista-leider
Subcomandante Marcos in 1999 gaf aan de neoliberale globalisering waarmee
multinationals de hele wereld proberen te veroveren (hij beschouwde de Koude
Oorlog als de Derde Wereldoorlog). 'De Vierde Wereldoorlog,' aldus Marcos,
'verwoest de menselijkheid doordat de globalisering de markt alles laat
overheersen en al het menselijke dat tegen de logica van de markt in opstand
komt, tot een vijand bombardeert die vernietigd dient te worden. In dit
opzicht zijn we allemáál de vijand die moet worden uitgeroeid:
inheemsen, allochtonen, mensenrechtenobservatoren, onderwijzers, intellectuelen,
artiesten. Iedereen die denkt dat hij vrij is en dat niet is.'
The Fourth World War laat het verzet zien dat wereldwijd opkomt: niet alleen
onder de Zapatista's in Mexico, maar ook in Zuid-Afrika, in Israël
en Palestina, in Zuid-Korea en Argentinië, tijdens betogingen in Québec
en in Genua. Tijdens de voorvertoning begon het hele publiek te applaudisseren
en te juichen, iedere keer opnieuw als de Zapatista's in beeld kwamen of
wanneer er zelfs maar aan Marcos werd gerefereerd.
De mythische Subcomandante Marcos spreekt bij velen tot de verbeelding.
In haar Dagboek van een activiste (2002) haalt Naomi de beroemde woorden
aan die Marcos eens sprak tegen een journalist: 'Marcos is homoseksueel
in San Francisco, zwart in Zuid-Afrika, een Aziaat in Europa, een Chicano
in San Ysidro, een anarchist in Spanje, een Palestijn in Israël, een
Maya-indiaan in de straten van San Cristobal, een jood in Duitsland, een
zigeuner in Polen, een Mohawk in Québec, een pacifist in Bosnië,
een alleenstaande vrouw in de metro om tien uur 's avonds, een boer zonder
grond, een bendelid in de sloppenwijken, een werkloze arbeider, een ongelukkige
student en, natuurlijk, een Zapatista in de bergen.'
Iedereen droomt van Marcos, de gemaskerde Subcomandante. Iedereen kan zijn
eigen ideaal op hem projecteren: mannen zien de vechter in hem, vrouwen
de dromer en de dichter. Is dat niet een teken dat mensen nog steeds verlangen
naar een leider?
Naomi is lang stil. 'Ik denk het wel. Marcos is een heel bijzondere leider
die betrokken is en tegelijkertijd juist met het idee van leiderschap speelt
en het aan de kaak stelt. De beslissingen in Chiapas -- de Mexicaanse deelstaat
die de thuisbasis is van de Zapatista-verzetsbeweging -- worden niet door
Marcos alleen genomen. Hij is door deze mensen gekozen om tot de wereld
te spreken. Ik heb er tegenstrijdige gevoelens over. Er bestaat zoiets als
"leiderskwaliteiten", ongetwijfeld. Ik denk dat Marcos vooral
een leider is omdat hij een schrijver is. Hij geeft leiding, zeker internationaal
gezien, door zijn geschriften. Ik denk dat hij zeer interessante dingen
doet met het concept "leiderschap". Hij speelt met charisma. Als
hij spreekt, praat hij heel rustig.'
Deze beschrijving die Naomi van Marcos geeft, kan net zo goed op haarzelf
van toepassing zijn. Ze aarzelt even en zegt dan met een lachje: 'Nee, ik
geloof dat Marcos nog rustiger spreekt dan ik
Trouwens, gisteren sprak
ik toch behoorlijk hard? Of niet soms? Dat was de meest opruiende speech
die ik ooit in mijn leven gegeven heb. Normaal gesproken zou ik nooit zeggen:
"Wij moeten iets doen." Juist doordat ik me zo oncomfortabel voel
binnen het hele leiderschapsidee.'
Het was opvallend dat zij -- Canadese -- op een conferentie in New York
sprak over 'wij'. Meestal benadrukken Canadese andersglobalisten juist dat
ze níét Amerikaans zijn, dat ze anders zijn dan hun zuiderburen.
'Tja
' Naomi aarzelt even, alsof ze niet weet of ze het volgende wel
moet zeggen. 'Ik bén Amerikaans. Ik heb de Amerikaanse nationaliteit
én de Canadese. Dat zeg ik normaal gesproken nooit tegen mensen.
Maar buiten dat is het ook een wijze van spreken: Canada zit ook in Afghanistan,
Canada zit in Haïti. Het Canadese leger zit dan wel niet in Irak, maar
onze bedrijven zitten er wel. Canada's handen zijn wat Irak betreft niet
schoon. Dus ik maak niet veel onderscheid.
Gisteravond besloot ik in de wijvorm te praten omdat het te beschuldigend
zou overkomen als ik voortdurend zou zeggen: 'Júllie regering.' Ik
wilde daar geen punt van maken, we hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Wij hebben toegang tot de macht hier. Ik heb toegang tot de Verenigde Staten,
of ik nu Amerikaans ben of niet, of ik nu in Toronto woon of ergens anders.
Het gaat erom dat ik hier kán protesteren -- ik heb, als demonstrant,
toegang tot de besluitvorming. Ik wel, en de Irakezen niet. Daarom is het
onze verantwoordelijkheid.
Ik houd er niet van om Amerikaans genoemd te worden, ook al heb ik technisch
gezien twee nationaliteiten.' Ze lacht. 'Maar ik kan stemmen in de Amerikaanse
verkiezingen, daarom voel ik ook dat ik tegen de mensen hier "wij"
en "ons" mag zeggen. Ik moet zeggen dat het wel tijd heeft gekost
voordat ik vond dat ik het recht had om op zo'n opzwepende wijze te praten.
Dat is de manier waarop leiders spreken: "Ik vind dat we dit moeten
doen, dit zijn onze verantwoordelijkheden."
Tegenwoordig vind ik het geweldig dat meer dan de helft van de mensen die
na afloop van mijn lezingen naar me toe komen, uit jonge vrouwen bestaat.
Het maakt me heel gelukkig dat ik talloze jonge vrouwen spreek die veel
zelfvertrouwen hebben -- meer dan ikzelf op die leeftijd -- en die zeggen
dat míjn werk hun dat vertrouwen gegeven heeft. Ik krijg ook veel
brieven en mails van zestien-, zeventienjarigen. Dat vind ik geweldig, want
ik heb niet actief de taak van rolmodel op me genomen. Ik merk dat het feit
dat ik er bén, dat ik daar sta, al helpt.'
Rebelleren tegen activisme
Het rebelleren zit bij Naomi in de familie. Haar moeder, Bonnie Sherr Klein,
was als feministische documentairemaakster vooral beroemd om haar aanklacht
tegen de pornografie: Not a Love Story. Na twee beroertes en een lange periode
van herstel maakt ze zich nu sterk voor de gezondheidszorg in Canada en
voor de rechten van gehandicapten. Naomi's vader, Michael Klein, is arts.
Hij is actief binnen de Physicians for Social Responsibility: een vereniging
van medici die de gezondheid van de wereldbevolking probeert te beschermen
tegen 'de bedreigingen van een atoomoorlog en andere massavernietigingswapens,
de achteruitgang van onze leefomgeving en de uitbarsting van vuurwapengeweld
in onze hedendaagse maatschappij'.
Voortkomend uit dit gezin, zal Naomi de strijdbaarheid en het activisme
met de paplepel binnen hebben gekregen. 'Ik ben niet iemand die een bepaald
"moment van inkeer" heeft gekend,' geeft Naomi toe. 'Ik ken wel
mensen uit apolitieke gezinnen of uit radicaal rechtse families die werkelijk
zo'n openbaringsmoment hebben gekend. Maar bij mij zat het activisme van
begin af aan in de structuur van mijn bestaan. De waarden waar ik mee opgroeide,
verschilden van die van de massacultuur.
Mijn ouders waren niet echt heel radicaal. Ja, ik vond ze vroeger absoluut
geschift, maar als ik ze nu bekijk vind ik dat ze lang niet ver genoeg zijn
gegaan. Alles is relatief, nietwaar? Toch waren zij mijn rolmodellen. Mijn
moeder was journalist-activist, een geëngageerde filmmaker. Haar documentaires
maakten deel uit van de vrouwenbeweging. Ik vond de meeste films maar niks,
ik moest niets hebben van dat feministische gedoe, maar het was wel waar
ik mee opgroeide.Wanneer mijn moeder mensen screende, hoorde ik hen huilen,
discussiëren en zeggen dat ze dingen zouden veranderen. Activistische
journalistiek was daardoor eigenlijk de enige vorm van journalistiek die
ik werkelijk kon begrijpen. Er bestond in mijn opvatting gewoon geen scheiding
tussen "werken in de media" en "de wereld willen veranderen".
Absoluut geen. Ik vond andere soorten journalistiek dan ook tamelijk vreemd.
Toch was het ontmoedigend voor me om zelf journalist-activist te worden.
Als je in zo'n familie wordt grootgebracht als de mijne, is rebelleren in
feite een vorm van "erbij horen". Opgroeien was moeilijk voor
me: ik rebelleerde tégen het rebelleren. Mijn broer die zich nooit
tegen mijn ouders heeft afgezet, is altijd een activist geweest. Ik zette
me daarentegen wel tegen hen af, ik wilde juist géén activist
zijn.
Ik haatte politiek. Ik heb me ervoor afgesloten en tegen iedereen gezegd
dat ze op konden donderen. Ik vond het niet prettig om gebruikt te worden
als politiek rekwisiet. Ik herinner me nog goed dat ik tien jaar oud was
en voor de zoveelste keer was meegenomen naar een of andere bijeenkomst
-- ik wilde het niet meer. Ik was me er op dat moment heel sterk van bewust
dat ik tegen mijn zin bij een vredesdemonstratie stond. Op het moment dat
we thuiskwamen zei ik tegen mijn moeder: "Mam, ik ga nóóit
meer naar zoiets met je mee." Ze haalde haar schouders op en zei: "Oké."
Ik was op een of andere manier een verlengstuk van mijn ouders geworden,
gehersenspoeld. Nee,' ze corrigeert zich direct, 'niet gehersenspoeld. Maar
ik vond wel dat ze me niet zomaar mee moesten slepen. Betrokkenheid moet
een keuze zijn. Ik kreeg die keuze niet en werd gewoon meegenomen. Dus dat
was het: ik ging niet meer naar demonstraties.' Ze lacht. 'En mijn ouders
respecteerden mijn keuze volledig. Ik heb me toen een paar jaar lang gedragen
als een merkverslaafde, iemand die niet uit het winkelcentrum weg te branden
was. Logo's waren het helemaal voor mij. Maar om je eerlijk te zeggen denk
ik dat ik niemand voor de gek kon houden.
Jaren later ging ik naar de universiteit om Engels en filosofie te studeren
-- niet naar de universiteit in Montréal, waar mijn familie woonde,
maar naar een andere stad: Toronto. Toen ik niet meer in de buurt van mijn
familie was, voelde ik me in zekere zin vrijer om keuzes te maken in wat
ik zélf wilde. Daar is de universiteit geweldig voor. Ik had inmiddels
ook behoorlijk genoeg van mijn pose. Dus toen raakte ik weer politiek betrokken
'
De persoonlijke aanval
Naast activistisch ingestelde ouders -- die vanuit de Verenigde staten naar
Canada emigreerden uit protest tegen de Vietnamoorlog -- had Naomi een grootvader
die door de communistenvreter McCarthy op de zwarte lijst werd gezet. Philip
Klein werkte als animator bij Disney. Hij had marxistische sympathieën
en was een van de vakbondsleiders van de studio's. Toen hij de eerste staking
uit de geschiedenis van Disney organiseerde, vloog hij de laan uit en werd
hij op de beruchte McCarthy-lijst geplaatst.
Heeft Naomi zelf ooit het idee gehad op een zwarte lijst te staan?
'Op een bepaalde manier in de Verenigde Staten
' begint ze te antwoorden,
maar dan verandert ze van toon. 'Niet op de manier waarop mijn grootvader
werd getroffen.' Laat daar geen misverstand over bestaan, spreekt uit haar
stem. 'Mijn grootvader kon geen werk meer krijgen waar hij goed in was,
waar zijn liefde naar uitging. Zijn levensverwachtingen waren in allerlei
opzichten de grond in geboord. Mijn grootvader was geen doorgewinterde politieke
held -- we gebruiken dat woord nu wel om hem te beschrijven, maar in wezen
was hij een kunstenaar. Hij werd op harde wijze gestraft voor zijn politieke
overtuiging: de regering ontnam hem waar hij van hield. Sommige mensen reageren
op zulk onrecht door juist actiever te worden, maar mijn grootvader niet.
Tot zijn dood heeft hij erover getreurd.'
Blijft de vraag of Naomi ooit zélf zulke tegenslagen te verwerken
gekregen heeft.
'Tegenslagen
Tegenslagen
' Ze vindt het duidelijk niet prettig
om op dit onderwerp door te gaan. Toch zal ze als kopstuk te maken hebben
gehad met mensen die haar lastigvielen. Er zal zeker druk op haar zijn uitgeoefend
om bijvoorbeeld ergens niet te spreken. Ze geeft toe. 'Ik voel me niet voldoende
op mijn gemak in het publieke leven om op de juiste wijze om te kunnen gaan
met de persoonlijke en seksistische manier waarop ik soms aangevallen word.
Daar ben ik echt slecht in.
Maude Barlow zegt altijd tegen me: "Mensen die voor hun mening uitkomen,
hebben vijanden die voor hun mening uitkomen. Serious people have serious
enemies." Dat is een citaat van haar moeder dat ze me voorhoudt als
ik weer eens onder vuur word genomen. Ik weet dat het waar is. Maude heeft
het vertrouwen om daarmee om te kunnen gaan; zij voelt zich volledig thuis
in het openbaar. Ze is een vanzelfsprekende leider en bij die vanzelfsprekendheid
hoort dat ze aangevallen wordt. Dat gebeurt ook, al jarenlang, op allerlei
manieren.
Als je aan mij vraagt of ik op een zwarte lijst sta
De aandacht die
ik in de media in Canada krijg, is over het algemeen negatief en neerbuigend.
Ik ben in het land waar ik vandaan kom in geen enkel opzicht een medialievelingetje:
ik word verfoeid en zwart gemaakt. In Canada zal niemand toegeven dat mijn
boek de afgelopen jaren een succes was: ze zullen het nooit opschrijven,
al hoef je maar op de bestsellerlijst te kijken om het te zien. Toch is
er tegelijkertijd een soort tandenknarsend respect voor Maude en mij, omdat
we ons nu eenmaal gevestigd hebben -- we kunnen niet worden weggewuifd.
Als ik onder vuur word genomen om mijn politieke standpunten, heb ik een
dikke huid, maar als mensen mijn privacy schenden, kan ik daar absoluut
niet mee omgaan. Een van de manieren waarop ze me in Canada proberen aan
te vallen, is door me te vernederen. Ze stelen bijvoorbeeld mijn vuilniszakken
en schrijven stukken over wat ze daarin vinden. Daarnaast kleineren ze me
door een soort object van me te maken en zich bijvoorbeeld alleen te concentreren
op hoe ik eruitzie. De aandacht die ik krijg zou volgens hen niet gericht
zijn op mijn ideeën, maar op het feit dat ik een vrouw ben die zich
uitspreekt.
Zelf val ik nooit iemand op persoonlijke zaken aan. Ik wéét
dat het een teken is dat ze wanhopig zijn,' ze lacht wrang, 'maar toch kan
ik er niet goed mee omgaan. Toen ik veel in beeld was en meeliep in de grote
demonstraties, werd ik als het ware hun stootzak. Daar heb ik geen goede
maag voor.' Naomi zucht diep. 'Op het ogenblik houden ze zich rustig. Maar
een van de redenen daarvan is dat ik me zélf heb teruggetrokken.
En ik moet voor mezelf nog uitmaken of dat betekent dat ik aan ze heb toegegeven
of niet. Daar ben ik nog niet uit.'
Wanhoop van Rechts
'Waar ik me het meest van alles aan stoor, is de onwil van de tegenpartij
om een werkelijk inhoudelijk gesprek te voeren. Rechts kiest niet voor een
debat, maar voor een strategie van kleineren. Kijk maar naar de manier waarop
de demonstranten op het ogenblik in New York City worden behandeld.'
In de aanloop naar de Republikeinse Conventie staan de kranten vol van de
maatregelen die zijn ondernomen om de Conventie zo vlekkeloos mogelijk te
laten verlopen. Infiltranten hebben binnen de linkse groeperingen de belangrijkste
oproerkraaiers geïsoleerd. Demonstranten wordt het recht op een protestactie
in Central Park ontzegd omdat ze het gras te veel zouden beschadigen. In
het kader van een orange alert, een verhoogde staat van paraatheid vanwege
terroristische dreiging, worden mensen op straat en in het openbaar vervoer
verplicht zich te identificeren en worden hun tassen doorzocht. Op Union
Square, de enige plek waar openlijk geflyerd wordt voor de komende demonstraties,
zwermt het van de cameramensen en staan gewapende politiebeambten op een
paar meter afstand gespannen toe te kijken. Maar nergens lees je in de dagbladen
waaróm er gedemonstreerd wordt, waaróm mensen fel gekant zijn
tegen het beleid van Bush en de oorlog in Irak. Je leest zelfs niet in de
grote bladen dat tachtig procent van de New Yorkers vindt dat de keuze van
hun stad als locatie voor de Conventie een grove uitbuiting is van de rampzalige
gebeurtenissen op 9/11.
'Inderdaad,' bevestigt Naomi. 'We worden niet geaccepteerd als een serieuze,
legitieme politieke beweging met een afwijkende mening over de manier waarop
dit land wordt bestuurd. We worden geïnfantiliseerd, gecriminaliseerd.
Hier heerst de tirannie van de elite. Het feit dat globalisering en handel
tot onderwerp van debat zijn gemaakt, betekent in werkelijkheid dat het
onderwerp is afgepakt van een selecte groep mensen die het voor zichzelf
hielden. De doorsnee-bevolking begreep niets van wat er gaande was, en dat
wilde deze elite graag zo houden. Maar juist door mensen als Vandana Shiva
en Maude Barlow, die op een fantastische manier de problemen begrijpelijk
maken voor de grote massa, wordt de geheimzinnige, met mysteriën omhulde
politiek opeens gemeengoed -- het wordt een onderwerp waar iedereen over
meepraat.
De experts die zich het terrein hadden toegeëigend, zijn nu woedend.
Ze kunnen gewoon niet geloven wat er gebeurt. Zo is er een vrouw in Canada,
Sylvia Ostry, die mij en Maude verschrikkelijk haat. Ze is een van de ontwerpers
van de North American Free Trade Agreement.'
De NAFTA kwam voort uit de Canada-U.S. Free Trade Agreement, de eerste vrijhandelsovereenkomst
ter wereld, die werd gesloten tussen Canada en de Verenigde Staten. De NAFTA
werd een feit toen in 1994 Mexico zich erbij aansloot. Het streven is om
vanuit de NAFTA de FTAA op te richten, de Free Trade Agreement of the Americas:
een overeenkomst waardoor het volledige Amerikaanse continent één
grote vrijhandelszone wordt.
Sylvia Ostry, door Naomi 'de Canadese grande dame van de vrijhandel' gedoopt,
ziet andersglobalisten als een bedreiging voor alles waar ze zelf voor staat.
'We moeten er alert op zijn,' zegt ze bijvoorbeeld, 'dat deze ongebonden
en diverse groepen een nieuwe vorm van wereldwijde groepsdemocratie vormen.
Deze andersdenkende beweging is grotendeels het product van de internetrevolutie.
Een goedkope, grenzeloze, real-time wijze van netwerken voorziet niet-gouvernementele
organisaties van economies of scale en economies of scope [schaalvoordelen
en mogelijkheden om in de breedte te werken] doordat ze wijdverspreide groeperingen
met eenzelfde uitgangspunt verbindt.'
Tijdens een seminar in Toronto vroeg Sylvia Ostry zich zelfs af of het niet
mogelijk was Canadese politieke activisten te monitoren. 'Ostry is gespecialiseerd
in internationaal recht. Voor haar zijn we uitschot. Wíj hebben geen
graden in internationaal recht of zijn doctoren in het een of ander. Ze
is zo beledigd dat ze zich moet verlagen om met ons soort mensen te spreken
-- wezens die niet uit haar wereld afkomstig zijn -- dat ze tijdens elk
debat ieder publiek tegen zich in het harnas jaagt. Dat gebeurt echt.
Het is bijna grappig hoe rechtsgeoriënteerde mensen ons haten en wat
het effect daarvan is. Ze spelen in discussies altijd op een of andere manier
vals door hun uitzonderlijke expertise aan te halen. Ze suggereren dat ze
over kennis beschikken die alleen een insider kan hebben: exclusieve kennis
van een klein groepje ingewijden. En dat is juist zo interessant, want waar
de discussie over globalisering zich het meest op toespitst is het feit
dat beslissingen die de hele wereldbevolking aangaan, niet alleen door dat
"groepje ingewijden" genomen zouden moeten worden.
In het begin hoopten ze nog dat het over zou waaien, dat we wel weg zouden
gaan. Maar gaandeweg realiseerden ze zich: "Deze mensen hebben een
hoop boeken verkocht -- alle universiteitsstudenten lezen ze. We moeten
hierop reageren." Op dat moment kwam er een omslag in hun beleid en
begonnen ze opeens allemaal boeken te schrijven. Ze kwamen overal vandaan:
In Defense of Globalization, Why Globalization is Amazing. Niemand leest
die boeken,' Naomi moet er erg om lachen, 'en ze zijn er ook veel te laat
mee gekomen. Zo is er iemand die een heel boek heeft geschreven waarin hij
No Logo op de hak neemt, maar dat kan niemand wat schelen: het is bijna
vijf jaar geleden dat mijn boek uitkwam. Het is te laat. Wij zijn er en
gaan niet meer weg.' Ze grinnikt nog even na.
Krachtige drijfveren
Hoewel de activisten niet meer weg te denken zijn uit het globaliseringsdebat,
is hun bestaan verre van gemakkelijk. Een activistisch standpunt innemen
betekent automatisch dat je een kwetsbare positie inneemt en onder vuur
genomen kunt worden. Om een leven als activist vol te kunnen houden, moet
je er innerlijk sterk van overtuigd zijn dat dit de juiste, de énige
keuze is.
'Ik denk dat het verschrikkelijk belangrijk is,' vertelt Naomi, 'dat we
gedreven worden door zowel liefde als razernij: door passie en woede in
gelijke verhoudingen. Woede over onrecht en wreedheid, en passie voor datgene
wat de moeite waard is om te beschermen en waarop we kunnen bouwen. Politiek
die alleen vanuit woede wordt bedreven, is een allesverterende vorm van
politiek: gericht op de korte termijn en nietsontziend.'
Ze denkt even na. 'Voor mij persoonlijk heeft deze balans altijd bestaan,
maar in Noord-Amerika zijn we over het algemeen heel slecht in het vinden
van de balans. Als we ons vergelijken met de Mexicaanse Zapatista's bijvoorbeeld,
of met de Braziliaanse MST -- een beweging van landloze arbeiders --, of
met een van die vele andere geweldige Latijns-Amerikaanse sociale bewegingen,
dan plaatst dat ons in een onvoordelige positie. Het belangrijkste verschil
is dat aanhangers van die groeperingen door passie worden gedreven, door
liefde voor de plek waar ze wonen. Ze houden van alle aspecten van hun leefomgeving.
Vandana Shiva is daarvan een prachtig voorbeeld. De Latijns-Amerikaanse,
Aziatische en Afrikaanse bewegingen hebben een diepe liefde voor biologische
diversiteit, voor de rijkheid van het leven.
Wie door hartstocht wordt gedreven, staat heel sterk en kan buitengewoon
krachtig zijn in het verdedigen ervan. Natuurlijk, aan de ene kant is er
razende woede op de machten die alles in de omgeving vernietigen, maar de
werkelijke drijvende kracht is de liefde voor wat het beschermen waard is.
Ik denk dat het voor ons in Noord-Amerika -- met name in de Verenigde Staten
-- erg moeilijk is een goede houding te vinden in de strijd voor sociale
rechtvaardigheid, omdat hier niet veel liefde bestaat. Links haat dit land,
nee ik zeg het verkeerd, links haat het systeem. We haten wat ons land aan
de andere kant van de oceaan veroorzaakt, wat het uitricht.' Naomi's energie
is bijna tastbaar tijdens dit betoog.
'Ik moet ervoor zorgen dat ik gedreven blijf door het willen beschermen
van wat goed is. Het is makkelijker voor ons in Canada: we verdedigen de
gezondheidszorg, we beschermen het educatiesysteem, de vrije natuur, we
maken ons sterk voor dat beetje verschil dat er nog is tussen ons en de
Verenigde Staten. Maar er is niet die diepgewortelde, bezielde liefde, die
tróts op onze eigen leefomgeving: die intense trots op de plek waar
we vandaan komen. Dat is iets dat we moeten leren: trots kunnen zijn op
ons land, zonder dat het nationalistische trekken krijgt. We moeten leren
de buurt en de stad waar we wonen, de gemeenschap waar we deel van uitmaken,
intens lief te hebben zonder dat radicale patriottisme dat zo makkelijk
ontaardt in racisme. Dan staan we het sterkst.'
Naomi Klein (Montréal, 1970) woont in Toronto. Ze studeerde Engels
en filosofie, raakte betrokken bij de protestbeweging in de jaren negentig
en noemt zichzelf nu 'journalist-activist'. Ze schreef de internationale
bestseller No Logo: De strijd tegen de dwang van de wereldmerken die in
27 talen werd vertaald. Vanaf het moment van verschijnen in 2000 is ze een
veelgevraagd spreker en debater. Naomi schrijft artikelen en columns voor
een keur aan kranten en tijdschriften, zoals The Globe and Mail en The Guardian,
die internationaal veelvuldig worden overgenomen. Een aantal van haar columns
en speeches werd gebundeld in Dagboek van een activiste (2002). In 2004
kwam de filmdocumentaire The Take uit, die ze maakte met haar echtgenote
Avi Lewis.

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2004
Dit gesprek is gepubliceerd in Vrouwen die de wereld veranderen.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 633 0
![]()