Wie altijd praat, luistert niet
Een gesprek met Naomi Klein
- Canada -

uit: Jesse Goossens, Vrouwen die de wereld veranderen

 

Naomi Klein is in New York, eind augustus 2004, een week voordat in die stad de Republikeinse Conventie zal plaatsvinden. De avond voor het gesprek heeft ze tijdens de conferentie Beyond Bush: Life after Capitalism in een overvol auditorium een bezielde redevoering gehouden. Ze sprak over Irak, waar ze begin dit jaar bijna een maand doorbracht. Ze uitte haar woede en frustratie over het beleid van de Verenigde Staten en de oorverdovende stilte waarmee het publiek op de oorlogsgruweldaden reageert.
Naomi sprak rustig, bijna zacht, maar indringend en helder. Ze stond achter de katheder, liet de ogen van het publiek geen moment los en bouwde haar speech op: steeds luider sprekend totdat ze uiteindelijk, met haar vuist slaand op het spreekgestoelte, haar slotbetoog hield en de toehoorders opriep tijdens de Republikeinse Conventie te gaan demonstreren -- ondanks het verbod van de gemeente -- in Central Park.
'En ik vind bovendien dat we het Iraakse volk méér verschuldigd zijn dan alleen onze woede,' zei ze, terwijl haar ogen vuur spuugden. 'We zijn het méér verschuldigd dan alleen onze temper tantrum. We zijn het resultaten schuldig. We zijn het de bevrijding van deze bezetting schuldig. Bevrijding van onze regering en van ons bedrijfsleven. We zijn het zelfs nog meer verschuldigd. We zijn het een ongekend groot herstel schuldig voor twee oorlogen en jarenlange sancties.'
Ze kreeg -- als enige die avond -- een staande ovatie.

De plundering van Irak
'Ja, dat is waar,' Naomi Klein straalt een dag later nog blij verbaasd bij de herinnering, 'het was gisteren een doorbraak voor me om te kunnen zeggen wat we zouden moeten doen en op welke manier. En om te kunnen zeggen waar we fout zitten. Ik was heel blij met hoe de speech uitpakte.'
Naomi was in de lente van 2004 bijna een maand in Irak. In haar columns maakte ze in deze periode gewag van zaken die het Amerikaanse volk, en ook ons in Europa, nauwelijks bereiken. Ze berichtte over de vreedzame protesten in Irak; over Irakese soldaten die uit het leger treden omdat ze niet op hun eigen volk willen schieten; over arbeidersstakingen in door de Amerikaanse bezetter overgenomen bedrijven; over ministers die hun ambt neerleggen uit protest tegen het handelen van de VS.
Ze stelde de Amerikaanse vriendjespolitiek aan de kaak waardoor familieleden van leden van de Bestuursraad op topposities worden geplaatst en bevriende bedrijven de beste contracten toebedeeld krijgen. Ze schreef dat particuliere -- Amerikaanse -- aannemers, gevangenen in Irak martelden om informatie te krijgen, en dat ze een prominente rol speelden in de beruchte Abu Ghraib-gevangenis. Ze legde uit dat de door de Amerikanen ingestelde 'voorlopige' grondwet op zo'n manier is opgezet dat die de Verenigde Staten het recht geeft de Irakese regering tot het einde der tijden te blijven controleren. En ze beschreef hoe Irakese gelden, onder andere bestemd voor watervoorziening en gezondheidszorg, door de bezetters werden geconfisqueerd en hoe de Irakese ziekenhuizen, telefooncentrales en waterleidingbedrijven aan hun lot worden overgelaten onder het mom van 'zelfredzaamheid'.
'Ik ben naar de moskeeën gegaan en naar demonstraties,' schrijft Naomi in een van haar columns, 'en heb geluisterd naar aanhangers van de radicale sjiitische leider Muqtada al-Sadr die schreeuwden: "Dood aan Amerika, dood aan de joden", en het klopt: het is huiveringwekkend. Maar het is het diepe, intense gevoel van teleurstelling en verraad, zoals uitgedrukt door een pro-Amerikaanse zakenman aan het hoofd van een Pepsi-fabriek in Irak, dat duidelijk maakt hoe diep de door de VS gecreëerde catastrofe hier zit. "Ik ben teleurgesteld, niet omdat ik een hekel heb aan de Amerikanen," zegt deze zakenman, "maar omdat ik ze mag. Als je van iemand houdt en hij kwetst je, dan doet het des te meer pijn."'
Naomi heeft zojuist ook een hoofdartikel over Irak geschreven voor Harper's Magazine, een stuk van tienduizend woorden. Zij wilde dat het zou verschijnen vóór de Republikeinse Conventie en dat is gelukt. Het artikel draagt de veelzeggende titel 'Bagdad, jaar nul: het plunderen van Irak voor een neoconservatief Utopia'. Ze beschrijft op beklemmende wijze hoe crisismanager en terrorisme-expert Paul Bremer -- in de jaren tachtig Amerikaans ambassadeur in Nederland -- vier weken na de val van Bagdad, als Hoofdafgezant van de Verenigde Staten, aankwam in de Irakese hoofdstad en in minder dan twee maanden de weg vrijmaakte voor het zakenleven. Diezelfde Paul Bremer was, voordat hij in overheidsdienst kwam, directeur van Air Products and Chemicals Inc., Akzo Nobel NV, The Harvard Business School Club of New York en The Netherland-America Foundation, en gevolmachtigde van The Economic Club of New York. Hij was, kortom, in hart en nieren een man van het bedrijfsleven.
Paul Bremer liet de Irakese economie een shocktherapie ondergaan: hij ontsloeg een half miljoen staatswerkers, kondigde de privatisering van zo'n tweehonderd staatsbedrijven aan en voerde verregaande economische hervormingen door. Aan de hand van schokkende persoonlijke verhalen beschrijft Naomi hoe deze acties van Bremer haat creëren tegen alles wat westers is. Ze citeert bijvoorbeeld Mahmud, een jonge beveiligingsbeambte van een fabriek die ze in het geheim treft. Mahmud vertelt hoe de oude fabrieksdirecteur een paar weken nadat het privatiseringsplan van Bremer was bekendgemaakt, op weg naar zijn werk werd doodgeschoten. Omdat hij voor de privatisering van zijn bedrijf zou zijn geweest, vermeldden de officiële rapporten, zou hij door rebellen zijn vermoord. Maar Mahmud weet wel beter: de directeur was juist faliekant tegen de Amerikaanse privatiseringsplannen geweest.
'Muqtada Al-Sadr verzamelde de economische slachtoffers die Bremer had gemaakt, kleedde hen in het zwart en gaf hun roestige kalashnikovs,' schrijft Naomi. Zo worden er nieuwe terroristen gerekruteerd. De rebellie die Bremer met zijn shocktherapie oproept, maakt het uitvoeren van zijn eigen plannen onmogelijk.
Ondanks het krachtige artikel, ondanks de feiten waarmee ze de avond tevoren haar luisteraars nu eens stom van verbijstering en dan weer uitzinnig van woede had gekregen, aarzelt Naomi of ze haar gedachten over Irak in boekvorm moet gieten. 'Ik ben er eerlijk gezegd gewoon niet zo zeker over. Ik heb genoeg materiaal voor het boek en ik heb al een grove opzet. Maar ik weet niet zeker of…', ze spreekt de woorden aarzelend uit, 'of een boek wel de juiste vorm is om wat ik weet te uiten.
Ik denk dat ideeën hun eigen medium vinden, het medium dat ze verdienen. Iedere twee weken schrijf ik columns voor dagbladen die ook op het internet worden gepubliceerd. Ik maak films en houd speeches. Ik doe onophoudelijk onderzoek en probeer voortdurend ruimte te krijgen in de algemene media. Mijn grootste probleem is in feite dat ik, op het moment dat ik een boek ga schrijven, díé ruimte moet opgeven. Daar heb ik grote moeite mee, zeker op dit moment, omdat ik erg betrokken ben bij het dagelijkse nieuws.
Daarnaast kan ik de manier waarop tegenwoordig in een noodtempo boeken worden geproduceerd niet echt respecteren. Ik vind namelijk dat je iets diep origineels te zeggen moet hebben voordat je een boek schrijft. Ik vind dus eigenlijk dat er te veel boeken zijn.' Ze lacht om hoe dat klinkt.
'Als ik één keer in de tien jaar een boek schrijf -- en niet elke drie jaar zoals mijn uitgever wil -- is dat niet noodzakelijkerwijs een tragedie. Sommige mensen meten zich een houding aan: "Ik schrijf boeken, dat is wat ik doe, dus of ik nou een groot idee heb, of een klein idee, of een krabbel op een cocktailservet, ik maak er gewoon een boek van."' Ze giechelt. 'Zo iemand wil ik niet zijn.'

No Logo voorbij
In 2000 werd Naomi in één klap beroemd met haar boek No Logo: De strijd tegen de dwang van wereldmerken. Het boek werd in 27 talen vertaald en Naomi was direct een van de belangrijkste gezichten van de andersglobalistenbeweging. In No Logo maakt zij op aanstekelijke, vaak humoristische wijze duidelijk hoe merken als Coca-Cola, Disney en Nike stormenderhand de wereld veroveren door te appelleren aan de diepste wens van het individu ergens bij te horen. Schrijnend is de tegenstelling die ze beschrijft tussen de droomwereld die de merken voorspiegelen en de harde werkelijkheid van de wijze waarop deze multinationals groot zijn geworden en aan de top blijven.
In deel I van No Logo, getiteld 'Geen ruimte', beschrijft Naomi bijvoorbeeld hoe in het globaliseringstijdperk de ruimte van cultuur en onderwijs wordt gevuld door de marketing van het mondiaal opererende bedrijfsleven. Er hangen tegenwoordig Levi's-reclames boven de openbare universiteitstoiletten -- en ook in de uitgeversbranche is de marketing aan een onstuitbare opmars bezig, zoals blijkt uit Naomi's eigen ervaring met haar uitgever die zou willen dat ze elke drie jaar een nieuwe bestseller produceert. Op deze wijze wordt Naomi zelf verheven tot zo'n merk dat ze zelf juist zo verafschuwt.
'No Logo is doorgebroken omdat het over merken ging,' weet Naomi. 'Het boek was een culture jam op zich.' Culture jamming is een vorm van media-activisme. Het begon ooit met het veranderen van billboards en is inmiddels doorgedrongen tot alle media. Bij een culture jam worden de bekendheid en de esthetiek van logo's en bedrijven tegen zichzelf gebruikt. Activisten vervormen de beeldmerken tot protesten en hebben -- juist door de overbekendheid van de logo's -- direct toegang tot een massapubliek. 'Dat was precies wat No Logo doet: het is een boek over economie dat branding, het focussen op merken, tegen zichzelf gebruikt. Dat maakt het boek sexy, aantrekkelijk voor jonge mensen.
Ik vond het geweldig dat het aansloeg, maar dat betekent niet dat ieder boek dat ik schrijf die impact zal hebben. Ik wil namelijk niet nog een boek over Coca-Cola schrijven, al weet ik heus wel dat dat verkoopt. Als je je richt op McDonald's of op WalMart, dan ben je direct op een bepaalde manier deel van de massacultuur. Je spreekt een algemeen bekende taal. Dat is aanlokkelijk: er is verder niet één taal die iedereen aanspreekt. De keuze van zo'n onderwerp is een makkelijke manier om een groot publiek aan te boren en allerlei grenzen te overbruggen. Maar No Logo vertelt niet het hele verhaal. Ik zei al aan het eind van het boek: dit is het begin van een discussie. De merken zijn de ingang naar de wezenlijke problematiek.'
Letterlijk schreef Naomi in No Logo: 'Nike en Shell zijn glanzende, nieuwe poorten die ons een opening bieden naar de veel gecompliceerdere en veel minder aanlokkelijke wereld van de internationale wetgeving. En al zal het niet gemakkelijk zijn en veel tijd vergen, we zullen zelf als democratische burgers onze eigen uitweg vinden. Misschien voelen we ons een beetje als Theseus die zich in het labyrint van de Minotaurus liet leiden door de draad van Ariadne, maar er zit niets anders op. Politieke oplossingen -- verantwoording verschuldigd aan de bevolking en afdwingbaar door gekozen vertegenwoordigers -- verdienen nog een kans voordat we de handdoek in de ring gooien en genoegen nemen met bedrijfscodes, onafhankelijke inspecteurs en de privatisering van onze collectieve rechten als staatsburgers.'
'Ik ben die poorten die ik beschreef doorgewandeld,' zegt Naomi nu, bijna vijf jaar na het voltooien van No Logo. 'Maar dat wil niet zeggen dat iedereen me zal volgen. Er zijn veel mensen die de discussie zijn aangegaan, die een standpunt hebben ingenomen, die deelnemen aan culture jamming of een specifiek bedrijf op de korrel nemen. Kijk maar eens naar de jonge mensen die hier op de Beyond Bush-conferentie bij elkaar zijn gekomen om te praten over een leven ná het kapitalisme. Hun kritiek wordt steeds krachtiger, hun mening ontwikkelt zich steeds verder. Maar doordat we ons verder ontwikkelen, raken we op een bepaalde manier ook geïsoleerd.
Als we alleen maar bedrijven aanvallen, zijn we makkelijker te begrijpen. Het is dan moeilijker voor zakenlieden om ons als 'gestoord' af te schilderen. Maar inmiddels zijn we volledig afgeweken van de alledaagse discussies waardoor we voor een groot publiek nauwelijks meer te begrijpen zijn. Soms denk ik bijna dat we onze aandachtsboog korter moeten maken.
Activisten raken verveeld als ze lang met één onderwerp bezig zijn; we weten dat je verder moet gaan, dieper moet graven, meer moet uitzoeken voordat bepaalde kennis algemeen wordt. Maar er zijn ook mensen nodig die niet denken: dat weet ik allemaal allang. We hebben mensen nodig die blijven zitten en doorgaan totdat iederéén van de feiten doordrongen is. Neem bijvoorbeeld Fahrenheit 9/11 van Michael Moore. Jouw en mijn reactie op die film is: "Ik wist het allemaal al." Maar die film is helemaal niet voor jou of mij bedoeld. Die film is bedoeld voor de overgrote meerderheid die het níét weet.'

Ouder en wijzer
'De afgelopen vijf jaar was ik buitengewoon bevoorrecht. No Logo werd in allerlei talen vertaald. Ik werd in talloze landen uitgenodigd en kon de hele wereld over reizen.
In de loop der tijd leerde ik hoe ik mijn reizen het best vorm kon geven. In het begin liet ik mijn uitgevers me nog vertellen waar ik heen moest gaan. Zij stuurden me de aardbol over. Maar langzamerhand nam ik zelf de controle over en begon ik het houden van lezingen te combineren met het doen van plaatselijk onderzoek en het ontmoeten van mensen, zodat ik voortdurend nieuwe ervaringen opdeed. Zo werd ik bijvoorbeeld voor een lezingentournee in Australië gevraagd. Ik heb er toen voor gezorgd dat ik daar ook een week de woestijn in kon trekken om inheemse activisten te ontmoeten en meer te weten te komen over hun strijd. Dat is verrijkend.
Het is jammer voor de mensen die die balans niet kunnen vinden, die alleen maar weten hoe je speeches moet houden. Dat is treurig: rondreizen en zeggen: "Hallo Brazilië, blablablablabla." En even later: "Hallo New York, blablablablabla."
In het begin was ik natuurlijk een protégee, een ingénue. Daardoor kreeg ik het gevoel dat ik gebruikt werd als onderdeel van mijn succes -- niet omdat ik een goede schrijver was, maar omdat ik dit boek voor mijn dertigste had geschreven.
Inmiddels voel ik me niet alleen ouder, maar weet ik ook dat ik tamelijk unieke ervaringen heb opgedaan waar ik uit kan putten. Dát is volwassen worden, en ik ben blij dat ik geen kind meer ben. Er zijn veel goede kanten aan volwassen zijn -- je wordt serieuzer genomen. Neem deze conferentie bijvoorbeeld: ik heb het gevoel dat er een gezonde tien jaar zit tussen mijzelf en de jonge vrouwen die de bijeenkomst hebben georganiseerd. Ik word nu echt heel kwaad als mensen me bevoogden.
Nu ik meer ervaring heb, nu ik bijvoorbeeld helemaal ben ondergedompeld in Irak, nu wéét ik dat ik veel meer weet. Zeker als het om Irak gaat raak ik bijna in paniek over hoeveel meer ik weet dan de rest van de mensen…' Even is ze stil en ze barst dan in lachen uit. 'Dat betekent waarschijnlijk dat ik tóch dat boek moet schrijven.'

Een cyclus van spreken en luisteren
'Om No Logo te kunnen schrijven, heb ik me bijna letterlijk opgesloten.' Het is duidelijk dat deze beslissing een opoffering voor Naomi is geweest. 'Het schrijven van een boek is iets verschrikkelijks moeilijks, en ik denk dat als je het niet moeilijk vindt, dat je het dan verkeerd doet. Ik heb me er dus helemaal voor vrijgemaakt. Ik reisde wel en deed onderzoek, maar ik schreef geen columns, ik hield geen speeches en ik zag mijn vrienden niet. Ik had mezelf teruggetrokken, losgemaakt, juist om opnieuw betrokken te kunnen raken.
Onze levens hebben af en toe zo'n cyclus nodig: afstand nemen en je opnieuw engageren. Daarom maak ik me zorgen om de manier waarop onze Beweging' -- net als de meeste westerse activisten spreekt Naomi over 'the Movement' als ze de strijd tegen de negatieve effecten van de neoliberale globalisering beschrijft -- 'slechts een paar woordvoerders uitkiest. Ik was daar een van… In de jaren na het verschijnen van No Logo realiseerde ik me dat praten over dat ene onderwerp mijn hele leven in beslag zou kunnen nemen. Ik vind het geweldig om een speech te houden, maar ik wil daar niet mijn bestaan aan wijden. Er is een groep mensen die inderdaad van podium naar podium trekt. Sommigen van hen zijn begenadigde sprekers en fantastische performers en ze vinden het geweldig om te doen, maar zo zit ik niet in elkaar.
Het uitgangspunt van de Beweging is antiautoritair, we hebben geen leiders. Toch stellen we onszelf tevreden met het recyclen van stemmen die we al jaren gebruiken, tot in een schandalige mate. De man die me zo meteen, na dit gesprek, gaat interviewen kwam bijvoorbeeld op me af met de woorden: "Ik maak een documentaire en ik heb Noam Chomsky en Howard Zinn al gesproken." Ik repliceerde direct: "Wat een origineel idee."' Naomi grinnikt een beetje beschaamd. 'Soms ben ik echt een kreng.
Het punt is dat ik het gevoel heb dat ik veel te veel word gebruikt. Ik heb geprobeerd daar iets aan te doen: ik heb mezelf van het podium afgewerkt. Er schuilt iets hypocriets in het praten over een niet-autoritaire beweging met alleen aanhangers, en jezelf dan toch tevreden stellen met constant voor in de zaal te staan en te spreken. Het is noodzakelijk je af en toe uit de openbaarheid terug te trekken. Wie altijd praat, luistert niet.Wat mij energie geeft is juist het anoniem zijn, het onderzoek kunnen doen, zoals ik dat acht maanden lang in Argentinië heb gedaan.'
Eind 2002 trokken Naomi en haar echtgenoot, de filmmaker Avi Lewis, naar Buenos Aires om een documentaire te maken over groepsdemocratie. Het resultaat is The Take: een dubbelzinnige titel die niet alleen 'de filmopname' kan betekenen, maar ook 'de overname' en 'de grote slag'. De film laat zien hoe dertig werkeloze fabrieksarbeiders besloten hun verlaten fabriek te bezetten en weigerden weg te gaan voordat de machines weer gingen draaien. Het motto van de film is 'Occupy. Resist. Produce' -- 'Bezet. Verzet. Produceer'. In september 2004 werd de documentaire, die het globaliseringdebat een nieuwe draai hoopte te geven, met verbazing en overweldigend enthousiasme ontvangen.
'Ik kon deze documentaire alleen maar maken door niet één interview aan te nemen terwijl ik daar zat,' vertelt Naomi. 'Ik liet niemand met me spreken en dat was best moeilijk, want No Logo is een bestseller in Argentinië. Maar voor mij was het van belang om niet voortdurend zelf aan het woord te zijn en de rust te vinden voor mijn onderzoek. Trouwens,' corrigeert ze zichzelf, 'ik ben wel even in de openbaarheid getreden, maar alleen toen de bezette fabrieken waar ik aan het filmen was werden aangevallen. Ik heb toen voor de arbeiders tegen de pers gesproken. En ik sprak op hun bijeenkomsten om internationale steun te betuigen. Ik was daar toch.
Nu geef ik weer lezingen, maar daar heb ik soms wel moeite mee. Neem nou deze conferentie in New York. Ik heb de uitnodiging aangenomen omdat ik het een uitdagend onderwerp vind, maar het komt erop neer dat ik praat, praat en praat en dat ik geen flauw idee heb wat de rest van de deelnemers te zeggen heeft.
Ik werd wanhopig toen ik hetzelfde op het World Social Forum zag gebeuren. Het ging er niet eens zozeer om dat dezelfde mensen voortdurend aan het woord waren -- ik zag dat er geen enkele manier was om ze aan het luisteren te krijgen. Maar ja, als je jezelf voor zes panels per dag opgeeft, kún je niet luisteren. Terwijl je juist moet luisteren om iets nieuws te kunnen zeggen.
Tijdens het tweede World Social Forum heb ik daarom concreet voorgesteld dat er een regel ingesteld zou moeten worden dat als je het ene jaar lezingen geeft, je het volgende jaar als toehoorder moet komen. Je zou niet twee jaar achter elkaar mogen spreken. Om de daad bij het woord te voegen, ging ik het jaar erop als toehoorder naar het forum en gaf ik niet één lezing. Mensen werden kwaad op me, ze vonden dat ik dan maar niet moest komen. Ik heb geprobeerd hun duidelijk te maken dat het niet draait om "niet gaan", maar juist om "wel gaan en luisteren". Ze begrepen mijn motivatie niet en ik kreeg het idee dat ze zich erdoor veroordeeld voelden.
Toch hoeft het niet zo te gaan. Ik denk dat een van de oplossingen is -- en dat doe ikzelf nog te weinig -- dat mensen die zijn "gekozen" om te spreken, actiever andere woordvoerders scouten, de taak van mentor op zich nemen. Sommige sociale bewegingen doen dat heel goed. Er is bijvoorbeeld een groepering in Ontario, The Ontario Coalition Against Poverty, waar ze altijd in paren optreden. Dus als de "leider" -- degene die iedereen als de leider beschouwt: John Clark -- ergens komt speechen, dan neemt hij altijd een jonge vrouw mee met wie hij het podium deelt. Op die manier worden nieuwe woordvoerders getraind: mensen die allemaal goed in het openbaar kunnen spreken en die allemaal op de juiste manier met de media kunnen omgaan. Als je dan zelf ergens geen tijd voor hebt, kun je zeggen: "Hier heb je de namen van drie jonge vrouwen die mijn plaats kunnen innemen. En ze zijn geweldig."'

Leider tegen wil en dank
In ieder gesprek dat ze voert en bij iedere conferentie waarop ze spreekt, geeft Naomi aan dat ze niet gebrandmerkt wil worden als leider van de Beweging. Het mooie aan de Beweging, vindt ze, is juist dat er geen leiders zijn. Maar de feiten spreken haar tegen. Zelf geeft ze ook aan dat er charismatische woordvoerders nodig zijn om beweging in de Beweging te krijgen.
Op de avond van de Beyond Bush-conferentie werd dat eens te meer duidelijk. Voorafgaand aan de speeches werd er een preview vertoond van de film The Fourth World War. 'De Vierde Wereldoorlog' is de benaming die de Zapatista-leider Subcomandante Marcos in 1999 gaf aan de neoliberale globalisering waarmee multinationals de hele wereld proberen te veroveren (hij beschouwde de Koude Oorlog als de Derde Wereldoorlog). 'De Vierde Wereldoorlog,' aldus Marcos, 'verwoest de menselijkheid doordat de globalisering de markt alles laat overheersen en al het menselijke dat tegen de logica van de markt in opstand komt, tot een vijand bombardeert die vernietigd dient te worden. In dit opzicht zijn we allemáál de vijand die moet worden uitgeroeid: inheemsen, allochtonen, mensenrechtenobservatoren, onderwijzers, intellectuelen, artiesten. Iedereen die denkt dat hij vrij is en dat niet is.'
The Fourth World War laat het verzet zien dat wereldwijd opkomt: niet alleen onder de Zapatista's in Mexico, maar ook in Zuid-Afrika, in Israël en Palestina, in Zuid-Korea en Argentinië, tijdens betogingen in Québec en in Genua. Tijdens de voorvertoning begon het hele publiek te applaudisseren en te juichen, iedere keer opnieuw als de Zapatista's in beeld kwamen of wanneer er zelfs maar aan Marcos werd gerefereerd.
De mythische Subcomandante Marcos spreekt bij velen tot de verbeelding. In haar Dagboek van een activiste (2002) haalt Naomi de beroemde woorden aan die Marcos eens sprak tegen een journalist: 'Marcos is homoseksueel in San Francisco, zwart in Zuid-Afrika, een Aziaat in Europa, een Chicano in San Ysidro, een anarchist in Spanje, een Palestijn in Israël, een Maya-indiaan in de straten van San Cristobal, een jood in Duitsland, een zigeuner in Polen, een Mohawk in Québec, een pacifist in Bosnië, een alleenstaande vrouw in de metro om tien uur 's avonds, een boer zonder grond, een bendelid in de sloppenwijken, een werkloze arbeider, een ongelukkige student en, natuurlijk, een Zapatista in de bergen.'
Iedereen droomt van Marcos, de gemaskerde Subcomandante. Iedereen kan zijn eigen ideaal op hem projecteren: mannen zien de vechter in hem, vrouwen de dromer en de dichter. Is dat niet een teken dat mensen nog steeds verlangen naar een leider?
Naomi is lang stil. 'Ik denk het wel. Marcos is een heel bijzondere leider die betrokken is en tegelijkertijd juist met het idee van leiderschap speelt en het aan de kaak stelt. De beslissingen in Chiapas -- de Mexicaanse deelstaat die de thuisbasis is van de Zapatista-verzetsbeweging -- worden niet door Marcos alleen genomen. Hij is door deze mensen gekozen om tot de wereld te spreken. Ik heb er tegenstrijdige gevoelens over. Er bestaat zoiets als "leiderskwaliteiten", ongetwijfeld. Ik denk dat Marcos vooral een leider is omdat hij een schrijver is. Hij geeft leiding, zeker internationaal gezien, door zijn geschriften. Ik denk dat hij zeer interessante dingen doet met het concept "leiderschap". Hij speelt met charisma. Als hij spreekt, praat hij heel rustig.'
Deze beschrijving die Naomi van Marcos geeft, kan net zo goed op haarzelf van toepassing zijn. Ze aarzelt even en zegt dan met een lachje: 'Nee, ik geloof dat Marcos nog rustiger spreekt dan ik… Trouwens, gisteren sprak ik toch behoorlijk hard? Of niet soms? Dat was de meest opruiende speech die ik ooit in mijn leven gegeven heb. Normaal gesproken zou ik nooit zeggen: "Wij moeten iets doen." Juist doordat ik me zo oncomfortabel voel binnen het hele leiderschapsidee.'
Het was opvallend dat zij -- Canadese -- op een conferentie in New York sprak over 'wij'. Meestal benadrukken Canadese andersglobalisten juist dat ze níét Amerikaans zijn, dat ze anders zijn dan hun zuiderburen.
'Tja…' Naomi aarzelt even, alsof ze niet weet of ze het volgende wel moet zeggen. 'Ik bén Amerikaans. Ik heb de Amerikaanse nationaliteit én de Canadese. Dat zeg ik normaal gesproken nooit tegen mensen. Maar buiten dat is het ook een wijze van spreken: Canada zit ook in Afghanistan, Canada zit in Haïti. Het Canadese leger zit dan wel niet in Irak, maar onze bedrijven zitten er wel. Canada's handen zijn wat Irak betreft niet schoon. Dus ik maak niet veel onderscheid.
Gisteravond besloot ik in de wijvorm te praten omdat het te beschuldigend zou overkomen als ik voortdurend zou zeggen: 'Júllie regering.' Ik wilde daar geen punt van maken, we hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Wij hebben toegang tot de macht hier. Ik heb toegang tot de Verenigde Staten, of ik nu Amerikaans ben of niet, of ik nu in Toronto woon of ergens anders. Het gaat erom dat ik hier kán protesteren -- ik heb, als demonstrant, toegang tot de besluitvorming. Ik wel, en de Irakezen niet. Daarom is het onze verantwoordelijkheid.
Ik houd er niet van om Amerikaans genoemd te worden, ook al heb ik technisch gezien twee nationaliteiten.' Ze lacht. 'Maar ik kan stemmen in de Amerikaanse verkiezingen, daarom voel ik ook dat ik tegen de mensen hier "wij" en "ons" mag zeggen. Ik moet zeggen dat het wel tijd heeft gekost voordat ik vond dat ik het recht had om op zo'n opzwepende wijze te praten. Dat is de manier waarop leiders spreken: "Ik vind dat we dit moeten doen, dit zijn onze verantwoordelijkheden."
Tegenwoordig vind ik het geweldig dat meer dan de helft van de mensen die na afloop van mijn lezingen naar me toe komen, uit jonge vrouwen bestaat. Het maakt me heel gelukkig dat ik talloze jonge vrouwen spreek die veel zelfvertrouwen hebben -- meer dan ikzelf op die leeftijd -- en die zeggen dat míjn werk hun dat vertrouwen gegeven heeft. Ik krijg ook veel brieven en mails van zestien-, zeventienjarigen. Dat vind ik geweldig, want ik heb niet actief de taak van rolmodel op me genomen. Ik merk dat het feit dat ik er bén, dat ik daar sta, al helpt.'

Rebelleren tegen activisme
Het rebelleren zit bij Naomi in de familie. Haar moeder, Bonnie Sherr Klein, was als feministische documentairemaakster vooral beroemd om haar aanklacht tegen de pornografie: Not a Love Story. Na twee beroertes en een lange periode van herstel maakt ze zich nu sterk voor de gezondheidszorg in Canada en voor de rechten van gehandicapten. Naomi's vader, Michael Klein, is arts. Hij is actief binnen de Physicians for Social Responsibility: een vereniging van medici die de gezondheid van de wereldbevolking probeert te beschermen tegen 'de bedreigingen van een atoomoorlog en andere massavernietigingswapens, de achteruitgang van onze leefomgeving en de uitbarsting van vuurwapengeweld in onze hedendaagse maatschappij'.
Voortkomend uit dit gezin, zal Naomi de strijdbaarheid en het activisme met de paplepel binnen hebben gekregen. 'Ik ben niet iemand die een bepaald "moment van inkeer" heeft gekend,' geeft Naomi toe. 'Ik ken wel mensen uit apolitieke gezinnen of uit radicaal rechtse families die werkelijk zo'n openbaringsmoment hebben gekend. Maar bij mij zat het activisme van begin af aan in de structuur van mijn bestaan. De waarden waar ik mee opgroeide, verschilden van die van de massacultuur.
Mijn ouders waren niet echt heel radicaal. Ja, ik vond ze vroeger absoluut geschift, maar als ik ze nu bekijk vind ik dat ze lang niet ver genoeg zijn gegaan. Alles is relatief, nietwaar? Toch waren zij mijn rolmodellen. Mijn moeder was journalist-activist, een geëngageerde filmmaker. Haar documentaires maakten deel uit van de vrouwenbeweging. Ik vond de meeste films maar niks, ik moest niets hebben van dat feministische gedoe, maar het was wel waar ik mee opgroeide.Wanneer mijn moeder mensen screende, hoorde ik hen huilen, discussiëren en zeggen dat ze dingen zouden veranderen. Activistische journalistiek was daardoor eigenlijk de enige vorm van journalistiek die ik werkelijk kon begrijpen. Er bestond in mijn opvatting gewoon geen scheiding tussen "werken in de media" en "de wereld willen veranderen". Absoluut geen. Ik vond andere soorten journalistiek dan ook tamelijk vreemd.
Toch was het ontmoedigend voor me om zelf journalist-activist te worden. Als je in zo'n familie wordt grootgebracht als de mijne, is rebelleren in feite een vorm van "erbij horen". Opgroeien was moeilijk voor me: ik rebelleerde tégen het rebelleren. Mijn broer die zich nooit tegen mijn ouders heeft afgezet, is altijd een activist geweest. Ik zette me daarentegen wel tegen hen af, ik wilde juist géén activist zijn.
Ik haatte politiek. Ik heb me ervoor afgesloten en tegen iedereen gezegd dat ze op konden donderen. Ik vond het niet prettig om gebruikt te worden als politiek rekwisiet. Ik herinner me nog goed dat ik tien jaar oud was en voor de zoveelste keer was meegenomen naar een of andere bijeenkomst -- ik wilde het niet meer. Ik was me er op dat moment heel sterk van bewust dat ik tegen mijn zin bij een vredesdemonstratie stond. Op het moment dat we thuiskwamen zei ik tegen mijn moeder: "Mam, ik ga nóóit meer naar zoiets met je mee." Ze haalde haar schouders op en zei: "Oké."
Ik was op een of andere manier een verlengstuk van mijn ouders geworden, gehersenspoeld. Nee,' ze corrigeert zich direct, 'niet gehersenspoeld. Maar ik vond wel dat ze me niet zomaar mee moesten slepen. Betrokkenheid moet een keuze zijn. Ik kreeg die keuze niet en werd gewoon meegenomen. Dus dat was het: ik ging niet meer naar demonstraties.' Ze lacht. 'En mijn ouders respecteerden mijn keuze volledig. Ik heb me toen een paar jaar lang gedragen als een merkverslaafde, iemand die niet uit het winkelcentrum weg te branden was. Logo's waren het helemaal voor mij. Maar om je eerlijk te zeggen denk ik dat ik niemand voor de gek kon houden.
Jaren later ging ik naar de universiteit om Engels en filosofie te studeren -- niet naar de universiteit in Montréal, waar mijn familie woonde, maar naar een andere stad: Toronto. Toen ik niet meer in de buurt van mijn familie was, voelde ik me in zekere zin vrijer om keuzes te maken in wat ik zélf wilde. Daar is de universiteit geweldig voor. Ik had inmiddels ook behoorlijk genoeg van mijn pose. Dus toen raakte ik weer politiek betrokken…'

De persoonlijke aanval
Naast activistisch ingestelde ouders -- die vanuit de Verenigde staten naar Canada emigreerden uit protest tegen de Vietnamoorlog -- had Naomi een grootvader die door de communistenvreter McCarthy op de zwarte lijst werd gezet. Philip Klein werkte als animator bij Disney. Hij had marxistische sympathieën en was een van de vakbondsleiders van de studio's. Toen hij de eerste staking uit de geschiedenis van Disney organiseerde, vloog hij de laan uit en werd hij op de beruchte McCarthy-lijst geplaatst.
Heeft Naomi zelf ooit het idee gehad op een zwarte lijst te staan?
'Op een bepaalde manier in de Verenigde Staten…' begint ze te antwoorden, maar dan verandert ze van toon. 'Niet op de manier waarop mijn grootvader werd getroffen.' Laat daar geen misverstand over bestaan, spreekt uit haar stem. 'Mijn grootvader kon geen werk meer krijgen waar hij goed in was, waar zijn liefde naar uitging. Zijn levensverwachtingen waren in allerlei opzichten de grond in geboord. Mijn grootvader was geen doorgewinterde politieke held -- we gebruiken dat woord nu wel om hem te beschrijven, maar in wezen was hij een kunstenaar. Hij werd op harde wijze gestraft voor zijn politieke overtuiging: de regering ontnam hem waar hij van hield. Sommige mensen reageren op zulk onrecht door juist actiever te worden, maar mijn grootvader niet. Tot zijn dood heeft hij erover getreurd.'
Blijft de vraag of Naomi ooit zélf zulke tegenslagen te verwerken gekregen heeft.
'Tegenslagen… Tegenslagen…' Ze vindt het duidelijk niet prettig om op dit onderwerp door te gaan. Toch zal ze als kopstuk te maken hebben gehad met mensen die haar lastigvielen. Er zal zeker druk op haar zijn uitgeoefend om bijvoorbeeld ergens niet te spreken. Ze geeft toe. 'Ik voel me niet voldoende op mijn gemak in het publieke leven om op de juiste wijze om te kunnen gaan met de persoonlijke en seksistische manier waarop ik soms aangevallen word. Daar ben ik echt slecht in.
Maude Barlow zegt altijd tegen me: "Mensen die voor hun mening uitkomen, hebben vijanden die voor hun mening uitkomen. Serious people have serious enemies." Dat is een citaat van haar moeder dat ze me voorhoudt als ik weer eens onder vuur word genomen. Ik weet dat het waar is. Maude heeft het vertrouwen om daarmee om te kunnen gaan; zij voelt zich volledig thuis in het openbaar. Ze is een vanzelfsprekende leider en bij die vanzelfsprekendheid hoort dat ze aangevallen wordt. Dat gebeurt ook, al jarenlang, op allerlei manieren.
Als je aan mij vraagt of ik op een zwarte lijst sta… De aandacht die ik in de media in Canada krijg, is over het algemeen negatief en neerbuigend. Ik ben in het land waar ik vandaan kom in geen enkel opzicht een medialievelingetje: ik word verfoeid en zwart gemaakt. In Canada zal niemand toegeven dat mijn boek de afgelopen jaren een succes was: ze zullen het nooit opschrijven, al hoef je maar op de bestsellerlijst te kijken om het te zien. Toch is er tegelijkertijd een soort tandenknarsend respect voor Maude en mij, omdat we ons nu eenmaal gevestigd hebben -- we kunnen niet worden weggewuifd.
Als ik onder vuur word genomen om mijn politieke standpunten, heb ik een dikke huid, maar als mensen mijn privacy schenden, kan ik daar absoluut niet mee omgaan. Een van de manieren waarop ze me in Canada proberen aan te vallen, is door me te vernederen. Ze stelen bijvoorbeeld mijn vuilniszakken en schrijven stukken over wat ze daarin vinden. Daarnaast kleineren ze me door een soort object van me te maken en zich bijvoorbeeld alleen te concentreren op hoe ik eruitzie. De aandacht die ik krijg zou volgens hen niet gericht zijn op mijn ideeën, maar op het feit dat ik een vrouw ben die zich uitspreekt.
Zelf val ik nooit iemand op persoonlijke zaken aan. Ik wéét dat het een teken is dat ze wanhopig zijn,' ze lacht wrang, 'maar toch kan ik er niet goed mee omgaan. Toen ik veel in beeld was en meeliep in de grote demonstraties, werd ik als het ware hun stootzak. Daar heb ik geen goede maag voor.' Naomi zucht diep. 'Op het ogenblik houden ze zich rustig. Maar een van de redenen daarvan is dat ik me zélf heb teruggetrokken. En ik moet voor mezelf nog uitmaken of dat betekent dat ik aan ze heb toegegeven of niet. Daar ben ik nog niet uit.'

Wanhoop van Rechts
'Waar ik me het meest van alles aan stoor, is de onwil van de tegenpartij om een werkelijk inhoudelijk gesprek te voeren. Rechts kiest niet voor een debat, maar voor een strategie van kleineren. Kijk maar naar de manier waarop de demonstranten op het ogenblik in New York City worden behandeld.'
In de aanloop naar de Republikeinse Conventie staan de kranten vol van de maatregelen die zijn ondernomen om de Conventie zo vlekkeloos mogelijk te laten verlopen. Infiltranten hebben binnen de linkse groeperingen de belangrijkste oproerkraaiers geïsoleerd. Demonstranten wordt het recht op een protestactie in Central Park ontzegd omdat ze het gras te veel zouden beschadigen. In het kader van een orange alert, een verhoogde staat van paraatheid vanwege terroristische dreiging, worden mensen op straat en in het openbaar vervoer verplicht zich te identificeren en worden hun tassen doorzocht. Op Union Square, de enige plek waar openlijk geflyerd wordt voor de komende demonstraties, zwermt het van de cameramensen en staan gewapende politiebeambten op een paar meter afstand gespannen toe te kijken. Maar nergens lees je in de dagbladen waaróm er gedemonstreerd wordt, waaróm mensen fel gekant zijn tegen het beleid van Bush en de oorlog in Irak. Je leest zelfs niet in de grote bladen dat tachtig procent van de New Yorkers vindt dat de keuze van hun stad als locatie voor de Conventie een grove uitbuiting is van de rampzalige gebeurtenissen op 9/11.
'Inderdaad,' bevestigt Naomi. 'We worden niet geaccepteerd als een serieuze, legitieme politieke beweging met een afwijkende mening over de manier waarop dit land wordt bestuurd. We worden geïnfantiliseerd, gecriminaliseerd. Hier heerst de tirannie van de elite. Het feit dat globalisering en handel tot onderwerp van debat zijn gemaakt, betekent in werkelijkheid dat het onderwerp is afgepakt van een selecte groep mensen die het voor zichzelf hielden. De doorsnee-bevolking begreep niets van wat er gaande was, en dat wilde deze elite graag zo houden. Maar juist door mensen als Vandana Shiva en Maude Barlow, die op een fantastische manier de problemen begrijpelijk maken voor de grote massa, wordt de geheimzinnige, met mysteriën omhulde politiek opeens gemeengoed -- het wordt een onderwerp waar iedereen over meepraat.
De experts die zich het terrein hadden toegeëigend, zijn nu woedend. Ze kunnen gewoon niet geloven wat er gebeurt. Zo is er een vrouw in Canada, Sylvia Ostry, die mij en Maude verschrikkelijk haat. Ze is een van de ontwerpers van de North American Free Trade Agreement.'
De NAFTA kwam voort uit de Canada-U.S. Free Trade Agreement, de eerste vrijhandelsovereenkomst ter wereld, die werd gesloten tussen Canada en de Verenigde Staten. De NAFTA werd een feit toen in 1994 Mexico zich erbij aansloot. Het streven is om vanuit de NAFTA de FTAA op te richten, de Free Trade Agreement of the Americas: een overeenkomst waardoor het volledige Amerikaanse continent één grote vrijhandelszone wordt.
Sylvia Ostry, door Naomi 'de Canadese grande dame van de vrijhandel' gedoopt, ziet andersglobalisten als een bedreiging voor alles waar ze zelf voor staat. 'We moeten er alert op zijn,' zegt ze bijvoorbeeld, 'dat deze ongebonden en diverse groepen een nieuwe vorm van wereldwijde groepsdemocratie vormen. Deze andersdenkende beweging is grotendeels het product van de internetrevolutie. Een goedkope, grenzeloze, real-time wijze van netwerken voorziet niet-gouvernementele organisaties van economies of scale en economies of scope [schaalvoordelen en mogelijkheden om in de breedte te werken] doordat ze wijdverspreide groeperingen met eenzelfde uitgangspunt verbindt.'
Tijdens een seminar in Toronto vroeg Sylvia Ostry zich zelfs af of het niet mogelijk was Canadese politieke activisten te monitoren. 'Ostry is gespecialiseerd in internationaal recht. Voor haar zijn we uitschot. Wíj hebben geen graden in internationaal recht of zijn doctoren in het een of ander. Ze is zo beledigd dat ze zich moet verlagen om met ons soort mensen te spreken -- wezens die niet uit haar wereld afkomstig zijn -- dat ze tijdens elk debat ieder publiek tegen zich in het harnas jaagt. Dat gebeurt echt.
Het is bijna grappig hoe rechtsgeoriënteerde mensen ons haten en wat het effect daarvan is. Ze spelen in discussies altijd op een of andere manier vals door hun uitzonderlijke expertise aan te halen. Ze suggereren dat ze over kennis beschikken die alleen een insider kan hebben: exclusieve kennis van een klein groepje ingewijden. En dat is juist zo interessant, want waar de discussie over globalisering zich het meest op toespitst is het feit dat beslissingen die de hele wereldbevolking aangaan, niet alleen door dat "groepje ingewijden" genomen zouden moeten worden.
In het begin hoopten ze nog dat het over zou waaien, dat we wel weg zouden gaan. Maar gaandeweg realiseerden ze zich: "Deze mensen hebben een hoop boeken verkocht -- alle universiteitsstudenten lezen ze. We moeten hierop reageren." Op dat moment kwam er een omslag in hun beleid en begonnen ze opeens allemaal boeken te schrijven. Ze kwamen overal vandaan: In Defense of Globalization, Why Globalization is Amazing. Niemand leest die boeken,' Naomi moet er erg om lachen, 'en ze zijn er ook veel te laat mee gekomen. Zo is er iemand die een heel boek heeft geschreven waarin hij No Logo op de hak neemt, maar dat kan niemand wat schelen: het is bijna vijf jaar geleden dat mijn boek uitkwam. Het is te laat. Wij zijn er en gaan niet meer weg.' Ze grinnikt nog even na.

Krachtige drijfveren
Hoewel de activisten niet meer weg te denken zijn uit het globaliseringsdebat, is hun bestaan verre van gemakkelijk. Een activistisch standpunt innemen betekent automatisch dat je een kwetsbare positie inneemt en onder vuur genomen kunt worden. Om een leven als activist vol te kunnen houden, moet je er innerlijk sterk van overtuigd zijn dat dit de juiste, de énige keuze is.
'Ik denk dat het verschrikkelijk belangrijk is,' vertelt Naomi, 'dat we gedreven worden door zowel liefde als razernij: door passie en woede in gelijke verhoudingen. Woede over onrecht en wreedheid, en passie voor datgene wat de moeite waard is om te beschermen en waarop we kunnen bouwen. Politiek die alleen vanuit woede wordt bedreven, is een allesverterende vorm van politiek: gericht op de korte termijn en nietsontziend.'
Ze denkt even na. 'Voor mij persoonlijk heeft deze balans altijd bestaan, maar in Noord-Amerika zijn we over het algemeen heel slecht in het vinden van de balans. Als we ons vergelijken met de Mexicaanse Zapatista's bijvoorbeeld, of met de Braziliaanse MST -- een beweging van landloze arbeiders --, of met een van die vele andere geweldige Latijns-Amerikaanse sociale bewegingen, dan plaatst dat ons in een onvoordelige positie. Het belangrijkste verschil is dat aanhangers van die groeperingen door passie worden gedreven, door liefde voor de plek waar ze wonen. Ze houden van alle aspecten van hun leefomgeving. Vandana Shiva is daarvan een prachtig voorbeeld. De Latijns-Amerikaanse, Aziatische en Afrikaanse bewegingen hebben een diepe liefde voor biologische diversiteit, voor de rijkheid van het leven.
Wie door hartstocht wordt gedreven, staat heel sterk en kan buitengewoon krachtig zijn in het verdedigen ervan. Natuurlijk, aan de ene kant is er razende woede op de machten die alles in de omgeving vernietigen, maar de werkelijke drijvende kracht is de liefde voor wat het beschermen waard is.
Ik denk dat het voor ons in Noord-Amerika -- met name in de Verenigde Staten -- erg moeilijk is een goede houding te vinden in de strijd voor sociale rechtvaardigheid, omdat hier niet veel liefde bestaat. Links haat dit land, nee ik zeg het verkeerd, links haat het systeem. We haten wat ons land aan de andere kant van de oceaan veroorzaakt, wat het uitricht.' Naomi's energie is bijna tastbaar tijdens dit betoog.
'Ik moet ervoor zorgen dat ik gedreven blijf door het willen beschermen van wat goed is. Het is makkelijker voor ons in Canada: we verdedigen de gezondheidszorg, we beschermen het educatiesysteem, de vrije natuur, we maken ons sterk voor dat beetje verschil dat er nog is tussen ons en de Verenigde Staten. Maar er is niet die diepgewortelde, bezielde liefde, die tróts op onze eigen leefomgeving: die intense trots op de plek waar we vandaan komen. Dat is iets dat we moeten leren: trots kunnen zijn op ons land, zonder dat het nationalistische trekken krijgt. We moeten leren de buurt en de stad waar we wonen, de gemeenschap waar we deel van uitmaken, intens lief te hebben zonder dat radicale patriottisme dat zo makkelijk ontaardt in racisme. Dan staan we het sterkst.'


Naomi Klein (Montréal, 1970) woont in Toronto. Ze studeerde Engels en filosofie, raakte betrokken bij de protestbeweging in de jaren negentig en noemt zichzelf nu 'journalist-activist'. Ze schreef de internationale bestseller No Logo: De strijd tegen de dwang van de wereldmerken die in 27 talen werd vertaald. Vanaf het moment van verschijnen in 2000 is ze een veelgevraagd spreker en debater. Naomi schrijft artikelen en columns voor een keur aan kranten en tijdschriften, zoals The Globe and Mail en The Guardian, die internationaal veelvuldig worden overgenomen. Een aantal van haar columns en speeches werd gebundeld in Dagboek van een activiste (2002). In 2004 kwam de filmdocumentaire The Take uit, die ze maakte met haar echtgenote Avi Lewis.

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2004

Dit gesprek is gepubliceerd in Vrouwen die de wereld veranderen.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 633 0