Onze kennis is van wereldbelang
Een gesprek met Lucy Mulenkei
- Kenia -

uit: Jesse Goossens, Vrouwen die de wereld veranderen

 

Inheemse volkeren worden overal -- of het nu in Afrika is, in Azië, in Latijns-Amerika of rond de Stille Oceaan -- als 'primitief' gezien. Regeringen over de hele wereld willen niet inzien waarom wij recht hebben op onze eigen grond en onze natuurlijke bronnen. Ze pakken ons bijna alles af en creëren armoede. Met de opkomst van de globalisering is de situatie alleen maar erger geworden. Door de zogenaamde vrije markt kan nu iedereen van buitenaf zich ons land en onze bronnen toe-eigenen en verkopen aan de hoogste bieder.
De inheemse gemeenschappen begrijpen het niet. Denk je dat zij ooit hebben gehoord van globalisering? Van de Wereldbank of het Intermonetair Fonds? Natuurlijk niet. Wat zij zien is dat bedrijven onze bossen binnenkomen en onze bomen kappen. Dat ze onze medicinale planten uitroeien of patenteren voor eigen gebruik. Zij zien de bronnen van ons fruit en voedsel verdwijnen. Ze worden verjaagd van het land waar hun voorouders eeuwenlang woonden en leven nu gedwongen op onvruchtbare aarde. Het is zo'n waanzin dat het eigenlijk niet te begrijpen ís.
Over de hele wereld vechten inheemse volkeren voor het behoud van hun land. Ze vechten voor het behoud van hun bronnen, hun gebruiken en tradities. En nu lees ik in de krant dat de Keniaanse regering genetisch gemanipuleerde landbouw gaat toestaan onder het motto: 'We kunnen ons volk niet laten verhongeren.' Terwijl iedereen weet wat de gevolgen zijn: dat de aarde uitgeput raakt, dat de biodiversiteit verdwijnt en dat we uiteindelijk de natuurlijke bronnen die ons nu nog resten ook verliezen. Waar zijn ze mee bezig, dacht ik toen ik dat bericht las. Het gaat alleen nog maar om geld, om winst op korte termijn.

 

Lucy Mulenkei is stichter van het Indigenous Information Network (INN), een organisatie die kennis verzamelt van alle inheemse gemeenschappen in Kenia. Ze zit in haar kleine kantoor op de vierde verdieping van een betonnen gebouw in een buitenwijk van Nairobi. De wijk waarin deze betonnen kolos staat, bestaat voor het grootste deel uit een zee van kleine hutjes, kleurig beschilderd en voorzien van teksten als 'tea and coffee' of 'beauty salon'. Er zijn talloze kleine winkeltjes en alles is handbeschilderd: de richtingaanwijzers, de reclameborden, de vrachtwagens.
Van buiten klinkt Afrikaanse muziek. Een vrouwenstem zingt mee. De geur van geroosterde maïs en gebraden vlees vult de kleine kamer. Lucy zit in een zwarte jurk achter het beeldscherm van haar computer. Ze heeft het druk: over zes dagen gaat de African Indigenous Conference van start, georganiseerd door haarzelf, waaraan honderd deelnemers uit zeven verschillende Afrikaanse landen zullen meedoen. Lucy maakt zich met een zucht van haar werk los en zet haar goudomrande bril af.

Een vlucht naar de vrijheid
Lucy is Masai -- een van de tweeënveertig inheemse volkeren die Kenia telt. Masai-vrouwen worden normaal gesproken op hun veertiende, of nog jonger, uitgehuwelijkt. Omdat hun leven in dienst staat van hun man en kinderen, is het krijgen van een opleiding niet bepaald een prioriteit. Toch kon Lucy studeren. 'Ik heb het geluk gehad,' legt ze uit, 'dat we in de buurt van een katholieke missiepost woonden. In die tijd -- ik praat nu over de jaren zestig -- wilde de missie niet zozeer mensen in de kerk krijgen, maar eerder de armoede bestrijden. Ze keken wat de bevolking nodig had. Er was een ziekenhuis in onze buurt en alles ging behoorlijk goed.
Ik vond het heerlijk om naar school te kunnen gaan. Ik was een avontuurlijk en extravert kind, niet verlegen zoals de meeste meisjes. Ik praatte veel en probeerde overal aan deel te nemen. Omdat mijn moeder vaak naar de kerk ging, kwamen de missionarissen ook bij ons aan huis. Als een priester bij ons langskwam, vroeg ik hem de oren van het hoofd. Dat kon gemakkelijk, want het eerste dat de priesters deden als ze hier kwamen werken, was de Masai-taal leren. Het was dus makkelijk om met ze te communiceren.
Eind jaren zestig ging iedereen in de eerste plaats naar school omdat je er een maaltijd kreeg. Dan hoefde je je dáár dus in ieder geval geen zorgen meer over te maken. Zelfs als je na school naar huis ging, was eten niet zo belangrijk meer. Je ging gewoon spelen en slapen. Zelf hielp ik na schooltijd vaak op de missiepost. Ik werkte zelfs op de kraamafdeling van het ziekenhuis. Mijn ouders waren er trots op dat de priesters en de nonnen erover spraken hoe hard ik werkte, maar toen ik de basisschool afrondde en naar de middelbare school zou gaan, was het feest afgelopen.
Ik heb de rituelen van de vrouwenbesnijdenis moeten ondergaan -- dat was een must voor alle herdersvolkeren, en helaas is het dat nog steeds. De meeste meisjes werden daarna door hun ouders van school gehaald omdat het tijd was om te trouwen; ze waren dan tussen de tien en vijftien jaar oud. Maar ik had het geluk dat de priester die me les had gegeven in het basisonderwijs, erop stond dat ik door zou gaan met mijn opleiding.
Het duurde niet lang voordat me opviel dat een oude man ons huis bezocht om te onderhandelen. Mensen fluisterden en ik werd nieuwsgierig. Toen ik vroeg wat die man bij ons deed, kreeg ik een ontwijkend antwoord: "Iemand uit dit huis moet gaan trouwen." De volgende dag ben ik direct na school weggelopen. Ik ben gaan liften naar mijn tante die in een ander dorp woonde. Ik heb aan niemand verteld waar ik heen ging, behalve aan de priester. Niemand, zeker niet de persoon met wie ik zou moeten trouwen, zou me daar kunnen vinden.'
Op de vraag hoe oud ze was toen dit gebeurde, haalt Lucy haar schouders op. Ze kijkt bijna verlegen als ze zegt: 'Ik weet niet of ik vijftien of zestien was. Zelfs nu weet ik eigenlijk niet precies hoe oud ik ben. In het dorp waar ik geboren ben, werd dat soort dingen niet bijgehouden. Toen ik op school mijn leeftijd moest opgeven, heb ik aan een leraar gevraagd wanneer ik geboren was. Hij schatte in 1958. Hij heeft me ook een verjaardag gegeven: 15 januari. Die datum klopt waarschijnlijk niet, maar ik heb hem gewoon aangenomen.' Nu lacht ze echt en ze ziet er veel jonger uit dan de zesenveertig jaar die ze volgens haar leraar zou tellen. 'Dus hier zit ik dan, en ik weet niet eens hoe oud ik ben.'
Lucy wordt direct weer bloedserieus: 'Mijn moeder heeft nooit veel van me gehouden. Ze vond het vervelend dat ik altijd levendig was en met mensen begon te praten: in onze cultuur horen meisjes zich gedeisd te houden. Met mijn tante was dat anders: zij hield wel van me en vond me juist heel verantwoordelijk. Ze wist dat ik voor mezelf op zou kunnen komen en had het volste vertrouwen in me. Ook haar echtgenoot mocht me graag. Al die tijd dat ik bij hen woonde, zorgde hij ervoor dat er niemand -- zeker geen jongemannen -- in de buurt van het huis konden komen. Hij zorgde er ook voor dat ik niet gestoord werd als ik aan het studeren was. Dezelfde priester die me lesgaf op de basisschool, bezorgde me in het verborgene een middelbare-schoolopleiding en ik slaagde met goede cijfers. Op de dag dat de priester bij mijn tante mijn examenresultaten kwam vertellen, vroeg hij of ik verpleegster wilde worden. Hij nam me mee terug naar het dorp waar ik vandaan was gevlucht. Ik had een toelatingsgesprek in het ziekenhuis en werd aangenomen, maar direct realiseerde ik me dat dit niet was wat ik wilde: ik was al zover gekomen met mijn opleiding en wilde kijken waar ik nog meer toe in staat was. Bovendien wist ik dat ik, áls ik verpleegster zou worden in mijn geboortedorp, opnieuw tot een huwelijk gedwongen zou worden. En dan zou ik me niet meer kunnen verdedigen.'

Een hard bestaan
'Ik wilde eigenlijk advocaat worden en tegelijkertijd journalistiek studeren, maar ik haalde het toelatingsexamen voor de universiteit niet. Ik ben les gaan geven en kwam een poosje in het hotelwezen terecht. Dat was verschrikkelijk werk, maar ik kwam daardoor wel in contact met het Samburu-volk.
Ik werd gestationeerd in de Samburu Game Lodge, een natuurpark in het noorden van Kenia. De Samburu zijn, net als de Masai, een herdersvolk. De twee gemeenschappen zijn familie van elkaar: we kleden ons bijna hetzelfde en spreken vrijwel dezelfde taal. Maar de Samburu leven in een semi-aride gebied. Dat betekent dat er nauwelijks regen valt en dat de grond het grootste deel van het jaar dor en droog is. Zelf had ik in de Narok- en Transmara-districten gewoond, in West-Kenia tegen de grens van Tanzania, waar het land behoorlijk groen is. Het regent er regelmatig. Sommige Masai bebouwen daar zelfs land: er is in ieder geval altijd voldoende eten, genoeg van alles wat we nodig hebben.
De Samburu leven in de woestijn, ze zijn arm. Maar wat me het meeste raakte in de ontmoeting met dit volk, is dat ze toch gelukkig zijn. Het zijn benijdenswaardige mensen: ondanks hun armoede, ondanks het meedogenloze klimaat, gaat het leven voor hen door. Al wonen ze in krotten van huizen, hebben ze gebrek aan water, krijgen ze nauwelijks toegang tot scholen en zijn er te weinig bestaansmiddelen, toch zijn de Samburu in staat om te accepteren wie ze zijn en waar ze zich bevinden. Daarin schuilt het geheim van hun geluk: zij accepteren wat ze hebben en bedanken god daarvoor, in plaats van te klagen dat het te weinig is. Ik was zo geroerd door deze mensen dat ik met ze samen wilde werken. Ik bleef uiteindelijk twee, drie jaar op mijn post in de Lodge en ieder vrij moment bezocht ik de verschillende dorpen.
Het was schokkend om me te realiseren dat ik in een hotel werkte in een van de beroemdste natuurreservaten van Kenia, dat wordt beheerd door een van de rijkste gemeenteraden van het land -- want het gebied trekt veel toeristen --, terwijl de oorspronkelijke bevolking, de inheemse gemeenschappen, daar helemaal niets voor terugkrijgen. Zij leven gedwongen hun harde bestaan.
Mijn droom om journalist te worden vervaagde niet. Uiteindelijk ben ik allerlei cursussen gaan volgen tot ik mijn doel had bereikt: ik werd radioverslaggever. Ook toen bleef ik terugkomen in dit gebied. En tot op de dag van vandaag richt mijn werk zich nog altijd, meer dan op andere plekken, op het Samburu-district.'

Een ingetoomde stem
'Ik werkte voor een radiostation van de Verenigde Naties,' vertelt Lucy, en ze glimlacht bij de gedachte aan de carrière die ze heeft gemaakt. Lucy heeft als radiojournalist een mooie staat van dienst. Voordat ze bij de VN-media belandde, werkte ze onder meer voor Deutsche Welle. Toch is haar lach niet zo vrolijk als je van een vrouw met journalistieke ambities zou verwachten. Ze verklaart direct haar dubbele gevoel: 'De afdeling waar ik werkte, was gericht op de inheemse gemeenschappen van Kenia. Wij werden op een andere manier behandeld dan de hoofdsectoren. Ook al stond de zender onder supervisie van de VN, ik merkte dat we toch gemarginaliseerd werden. Zelfs daar. We zonden uit in verschillende talen: de belangrijkste afdelingen waren Engels en Ke-Swahili -- de hoofdtalen van Kenia -- maar de talen waar ik de supervisie over had, de herderstalen onder andere, werden totaal gemarginaliseerd. Dat deed me pijn.
Ik vocht iedere dag voor oorspronkelijke reportages. Ik wilde dat verhalen uit het hart van de gemeenschappen werden verzameld. Ik wilde mijn volk, het herdersvolk, een stem geven, maar dat mocht niet. Een radiostation is nu eenmaal een instituut waarbinnen je je aan regels dient te houden. Mij werd zelfs niet toegestaan om het veld in te gaan om opnames te maken. Ik mocht nergens naartoe zonder de uitdrukkelijke toestemming van mijn baas, en die kreeg ik nooit. Daarom reisde ik op eigen initiatief en in mijn eigen tijd. Maar iedere keer als ik op reportage was geweest en mijn baas kwam erachter, zat ik opnieuw in de problemen. En toch… Hoe meer informatie ik verzamelde over de inheemse gemeenschappen, hoe meer ik over ze te weten kwam, hoe sterker mijn behoefte was om met hen en voor hen te werken.
Daarnaast vond een aantal collega's dat ik te snel carrière maakte: de programma's die ik voor mijn afdeling maakte, de milieu- en gemeenschapsreportages, waren bijzonder populair. Dat konden mijn meerderen niet goed hebben. Ze wilden niet dat ik geprezen werd om wat ik deed. Ze zeiden dat ik moest blijven zitten waar ik zat en mijn werk moest doen. In de maatschappij waarin ik leef is het helaas nog steeds niet gebruikelijk dat een vrouw hogerop komt. Vrouwen horen geen mening te hebben en al helemaal niet hun stem te verheffen. Kijk naar de regering: hoe lang heeft het wel niet geduurd voordat we vrouwelijke ministers kregen? Pas in de huidige regering zitten voor het eerst vrouwen. En dan nog: iedereen in Kenia weet dat Wangari Maathai minister van Milieu had moeten worden, maar die functie werd toegekend aan een man, Newton Kulundu. Maathai werd benoemd tot zijn assistent.'
Lucy kijkt woedend terwijl ze vertelt over deze oneerlijke behandeling. Een half jaar later, in oktober 2004, zou Wangari Maathai de Nobelprijs voor de Vrede krijgen, als eerste Afrikaanse vrouw die deze prijs ooit in ontvangst heeft mogen nemen.
'En het meest treurige,' vervolgt Lucy, 'vind ik dat de paar vrouwen die wél hogerop waren gekomen, ook niet wilden dat ik carrière zou maken. Zij waren bang voor hun eigen functie. Je hoort mensen dan ook vaak zeggen: "Vrouwen zijn hun eigen vijand."
Dit alles stuitte me tegen de borst. Mijn gevoel is altijd geweest: the sky is the limit. Ik wilde niet blijven steken en ik vond ook dat mijn medewerkers verder moesten komen.'

'Je gedraagt je als een inboorling'
'Al bij de radio vergaarde ik alle informatie waar ik mijn handen op kon leggen. Ik woonde zoveel mogelijk vergaderingen van het UNEP bij, het milieuprogramma van de Verenigde Naties. Veel van het materiaal dat je hier ziet' -- Lucy wijst om zich heen naar de archiefkasten vol tijdschriften, boxen met knipsels, pamfletten en boeken -- 'stond vroeger in mijn huis. Voor iedere reportage die ik maakte en ieder script dat ik schreef, las ik bergen informatie. Ik heb nooit zomaar een verhaal uit mijn mouw geschud. Ik baseerde alles op feiten.
Op een dag zei ik tegen mezelf: waarom zou je zo hard werken, terwijl je iedere ochtend dat je wakker wordt ertegen opziet om naar je werk te gaan? Dat je iedere keer het gevoel hebt dat je liever de dekens weer over je hoofd trekt en doorslaapt? Op dat moment besefte ik dat ik een keuze had. Ik zette alles voor mezelf op een rijtje: ik wilde werken met de mensen bij wie ik me altijd vrij en prettig had gevoeld en ik wilde mijn talenten inzetten om hen verder te helpen. Als dat niet kon binnen de grenzen van de algemene regeringsgecontroleerde media, dan maar op een andere manier. Als ik mezelf werk zou verschaffen, hoefde ik me nergens meer druk om te maken. Die dag besloot ik: ik neem ontslag en ga de koers volgen waar ik gelukkig van word.
Ik had het geluk dat ik al een groot netwerk had opgebouwd. Ik had talloze bijeenkomsten bijgewoond die werden georganiseerd door de Verenigde Naties of door niet-gouvernementele organisaties (NGO's). Gedurende tachtig procent van de tijd die ik op dat soort conferenties doorbracht, wist mijn baas daar niets vanaf. Ik wist dat ik geen toestemming zou krijgen als ik het officieel aan zou vragen, dus ik nam een dag verlof, of ik meldde me ziek. Eigenlijk was ik al iets voor mezelf aan het opbouwen voor het geval dat ik ooit mijn baan zou verliezen.
Maar toen ik probeerde in mijn eentje te werken, merkte ik dat dat niet zomaar ging. Je wordt nergens toegelaten of serieus genomen als je geen lid bent van een organisatie: formeel en legaal. Mensen met wie je samenwerkt en donateurs die je aanschrijft, kunnen dan nagaan of je niet illegaal opereert. En terecht, iedereen kan wel zeggen: "Ik wil iets goeds doen, geef me geld."
Ik besloot een netwerk op te zetten dat kennis verzamelde van alle inheemse gemeenschappen. Zoals ik al vertelde worden inheemse volkeren niet voor vol aangezien. Zelfs de gemeenschappen onderling negeren elkaars bestaan soms volkomen. De regering van Kenia besteedt geen aandacht aan de inheemse volkeren omdat ze er nauwelijks mee te maken krijgt: de gemeenschappen leven hun eigen traditionele leventje en maken zich niet druk om de rest van de wereld. Toch zijn er, alleen al in Kenia, meer dan veertig verschillende etnische groepen die we allemaal als inheems omschrijven. Grofweg zijn ze in drie groepen in te delen: de herdersvolken, de boerenvolken -- die vroeger ook herders waren, maar land gingen bebouwen -- en de jagersvolken die in de rimboe wonen en in hun levensonderhoud voorzien door de jacht. In de algemene media hoor je nauwelijks iets over deze mensen. Ze komen eigenlijk alleen maar in het nieuws als er ergens een ramp is gebeurd.
Wij inheemsen worden als primitief beschouwd, en dat is ook duidelijk te merken aan de manier waarop ik door veel mensen word benaderd. Als mijn geweten me zegt iets niet te doen, dan reageren mensen zonder begrip vanwege mijn achtergrond. "Je gedraagt je als een inboorling," zeggen ze dan. "Geen wonder dat je je met inheemse kwesties bezighoudt."' Lucy lacht de beledigende woorden weg.
'Ik wilde informatie verzamelen over de kennis, de tradities en de gebruiken van de verschillende gemeenschappen en die informatie ter beschikking stellen aan iedereen die dat nodig heeft: de volkeren zelf, maar ook regeringsambtenaren en wetenschappers. Mijn NGO noemde ik het Indigenous Information Network.'

Diefstal van kennis
'Veel wetenschappers geloofden alleen in boeken,' verklaart Lucy en ze heft haar handen in een wanhoopsgebaar. 'Ze geloofden niet in de kennis van inheemse volkeren. Althans, in het begin. De afgelopen jaren hebben wij dat vooroordeel proberen te bevechten. En weet je wat er nu gebeurt?' Lucy schudt haar hoofd in ongeloof. 'Nu beginnen wetenschappers langzamerhand door te krijgen dat inheemse volkeren gelijk hebben, en wat doen ze? Ze stelen de kennis. Ze bezoeken de gemeenschappen. De arme bevolking is ruimhartig en goedgelovig, dus als wetenschappers vragen: "Wat is dit voor een plant en waar kun je die voor gebruiken?", dan vertellen ze alles wat ze weten. Vervolgens keren de wetenschappers terug naar huis en vragen patent aan op de kennis die ze hebben gekregen. Ze zullen nooit zeggen dat ze het hebben geleerd van de inheemse bevolking. Ze gaan ermee aan de haal.
Wij proberen de gemeenschap ervan te doordringen dat het belangrijk is om hun kennis te bewaren en te beschermen. Onze kennis is van wereldbelang. Je zou moeten zien hoe geschokt sommigen van hen zijn als ze horen dat de aspirine die ze slikken gemaakt is van hun eigen planten, met hun eigen wetenschap!
We krijgen met allerlei problemen te maken. Culturele tradities vervagen doordat er huwelijken plaatsvinden tussen verschillende volkeren. Ook krijg ik regelmatig klachten dat kinderen die naar een openbare school gaan -- en niet in hun eigen gemeenschap worden grootgebracht -- de kennis van hun volk niet meer bijgebracht krijgen. De oudere generatie sterft uit, en mét deze generatie ook de kennis die niet in boeken staat opgeschreven. Want de nieuwe generatie leert alleen nog maar met behulp van boeken, met pen en papier, niet door mondelinge overlevering van ouderen. Wij willen mensen bewust maken van het belang van de overdracht van inheemse kennis. Inmiddels begint het te werken. Er zijn al gemeenschappen die hun inheemse kennis beschermen en ervoor zorgen dat wat zij over planten en de omgeving weten, wordt overgedragen op de volgende generaties.'

Inheemse plantentuin
In Rift Valley, zo'n vijftig kilometer buiten Nairobi, is een inheemse plantentuin ingericht. Lucy neemt me mee. Naast ons in de auto zit Mary Kuku van de African Indigenous Women's Organisation. Mary is uit Soedan gevlucht voor het oorlogsgeweld. Dat je een mens wel uit de oorlog kunt halen, maar de oorlog niet uit een mens, wordt bewezen door haar woorden als we door de heuvels rijden. We hebben een adembenemend uitzicht over de vallei: rode aarde, groene vetplanten en cactussen, acacia's die een fluitend geluid maken als de wind door de gedroogde vruchten blaast, witte, geelzwarte en oranje vlinders, felgekleurde vogels. In de verte staat een kudde van wel twintig giraffen. Maar Mary wijst naar de beplanting en zegt: 'Wat een goede plek is dit om te vechten. Je kunt schuilen achter de struiken en de vijand aan zien komen. En als ze dichterbij komen: TSJAK!'
Bij de plantentuin worden we ontvangen door Daniel Salau Rogei van de Simba Masai Outreach Organisation, een Masai in spijkerbroek met een lange zwartwit gestreepte stekel van een stekelvarken door zijn oor. Hij leidt me langs verschillende planten en vertelt over de werking en het gebruik van iedere boom of struik. Onder de acacia nilotica bijvoorbeeld vindt een van de belangrijkste rituelen in het leven van de Masai plaats: The Bull of Wounds. Als een oudere onder deze boom een koe offert, wordt hij vrij van zonden. Daarnaast kun je de bast van deze boom in water weken ('Niet laten koken,' waarschuwt een Masai die meeloopt) om een gevoel van honger op te wekken. 'Als je daarvan hebt gedronken,' zegt Daniel, 'kun je een hele geit opeten.' Als ik vraag waarom je een geit zou willen opeten, kijkt hij me even bevreemd aan en loopt zonder antwoord te geven verder. Kennelijk is dat iets vanzelfsprekends. Hij leidt me verder en vertelt over nog tientallen planten, gebruiken en rituelen. Ik kom tijd en ogen tekort.
De allerbelangrijkste boom is de Oseki. Daniel spreekt de naam met eerbied uit. De Oseki is de vredesboom, alleen al het noemen van de naam zorgt voor vrede. Als kinderen bijvoorbeeld ruzie hebben en een van hen 'Oseki' zegt, dan moet de ruzie direct worden bijgelegd. Ook als er tussen twee volwassenen of zelfs twee groeperingen een strijd uitbreekt en er een tak van de Oseki tussen de strijdende partijen wordt gehouden, dan moet het gevecht worden gestaakt en er vrede worden gesticht.
Ten slotte word ik gewezen op de zogeheten millenniumtuin. Alle bezoekers aan de inheemse plantentuin mogen daar na hun bezoek een boom planten. Mary Kuku, zo vertelt Daniel, had niet zo veel geluk: de boom die zij geplant had werd opgegeten door een geit. Mary werd daar zo kwaad om dat ze die geit opat.

Bewuste wetenschap
Buiten het kantoor van Lucy zet de duisternis in. De muziek wordt harder gezet, stemmen beginnen luider te klinken. Lucy controleert of het stalen hek voor haar kantoorruimte wel goed is afgesloten. Nairobi is, zeker na zonsondergang, niet veilig voor een vrouw alleen. 'Niet alleen moeten we de volkeren over hun eigen kennis voorlichten,' benadrukt Lucy, 'ook de wetenschappers moeten ervan doordrongen worden dat het van wezenlijk belang is dat inheemse kennis wordt erkend en gerespecteerd. Wetenschappers moeten zich aan regels houden. Daar is vorig jaar tijdens de besprekingen van de Conventie voor Biodiversiteit in Canada een belangrijk begin mee gemaakt. Toen hebben we regels opgesteld in het kader van Artikel 8j, de Akwé:Kon-richtlijnen.'
Artikel 8j is onderdeel van de VN-Conventie voor Biodiversiteit en beschrijft hoe kennis en gebruiken van inheemse volkeren kunnen worden behouden en overgedragen om aangewend te worden voor moderne duurzame ontwikkeling. Een werkgroep stelde de Akwé:Kon-richtlijnen samen, vernoemd naar het Mohawk-begrip voor 'alles wat groeit'. De Akwé:Kon zijn 'niet-bindende regels voor de uitvoering van cultureel, ecologisch of sociaal gedragsonderzoek dat plaats zal vinden, of invloed zal hebben, op heilige plaatsen of op grond- of watergebied dat traditioneel toebehoort aan of wordt gebruikt door inheemse en lokale gemeenschappen'.
'Deze regels zijn expliciet opgesteld om inheemse kennis te beschermen,' legt Lucy nog eens uit. 'Het is nu zaak dat alle volkeren van deze regels op de hoogte worden gesteld zodat ze -- als wetenschappers bij een gemeenschap aankomen om onderzoek te doen -- kunnen zeggen: "Prima, als je je maar aan de Akwé:Kon-richtlijnen houdt." Een van de manieren waarop ik mensen bewust maak van de kennis van inheemse volkeren, is het uitgeven van Nomadic News.'
Lucy duikt onder haar bureau en haalt een stapel kleurige tijdschriften tevoorschijn. Ieder tijdschrift heeft één centraal thema: de plaats die inheemse volkeren innemen in de grondwet, problemen rond landeigendom, zorg voor kinderen. Daarnaast staan er allerlei artikelen in over de werkzaamheden van NGO's, beschrijvingen van de geschiedenis en tradities van verschillende volkeren, rapporten van onderhandelingen met regeringsambtenaren, een agenda van komende activiteiten en verslagen van (internationaal) overleg met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking.
'Zie je wel,' grijnst Lucy met onverbloemde trots, 'ik ben nog steeds journalist.
Vanaf het verschijnen van het eerste nummer, drie jaar geleden, tot op de dag van vandaag, breng ik iedere editie van Nomadic News naar de verschillende regeringskantoren om de kwesties onder hun aandacht te brengen. En iedere keer opnieuw, als mensen deze tijdschriften lezen, gaan hun ogen open en zeggen ze: "Mijn god, dus zó zitten de volkeren in elkaar."'

Geef vrouwen kracht
'Vanuit het Indigenous Information Network richtte ik de Indigenous Women's Organisation op, want als we spreken over de marginalisering van inheemse volkeren, moeten we ons wel realiseren dat er bínnen die gemeenschappen mensen zijn die nog verder worden gemarginaliseerd: vrouwen. Ik vertelde al hoe ik zelf als vrouw werd behandeld. Dan kun je je voorstellen dat het in die gemeenschappen nog een stuk dramatischer is.
Vrouwen zijn in onze volkeren de broodwinners. Zij zijn degenen die voor de hele familie zorgen, die weten waar ze water kunnen vinden, die koken, hout voor het vuur verzamelen en de huizen bouwen. Ik herinner me nog dat ik op reportage was bij het Samburu-volk. We begonnen, je zult het niet geloven, om drie uur 's ochtends de vrouw in kwestie te volgen. En op het moment dat mijn collega en ikzelf van vermoeidheid instortten, was deze vrouw nog steeds bezig. Zij deed werkelijk alles voor het huishouden en bouwde ondertussen een nieuw huis, terwijl de mannen in de schaduw onder een boom spelletjes zaten te spelen.' Lucy maakt een grijpende beweging alsof ze stenen van haar tafelblad raapt, schudt en opnieuw werpt, als dobbelstenen. 'Ze speelden het stenenspel en staken geen vinger uit. Op een gegeven moment zei een van deze mannen: "Zeg vrouw, maak wat thee voor ons."' Lucy zet grote ogen op van verbijstering. 'Ik zei direct tegen de vrouw: "Doe alsof je ze niet hoort, wij werken gewoon door."
De vrouw maakte geen thee, zelfs niet toen de mannen het bleven vragen.
De volgende dag kwamen we terug en vroegen aan haar of ze nog door de mannen op haar gedrag was aangesproken. Ze hadden wel gevraagd waarom ze geen thee had gezet, maar toen ze zei dat ze hen niet had gehoord, haalden ze hun schouders op en was de kous af.
We moeten vrouwen bewust maken van hun kracht. Er wordt nog steeds van hen verwacht dat ze doen wat mannen hun opdragen. Ze kunnen niets zelf beslissen. Ze hebben toestemming van hun man nodig voor alles wat ze willen doen, zelfs als ze hun eigen geit of kip willen verkopen. Ze hebben geen eigen bezit: alles wat ze in het huwelijk hebben ingebracht, wordt eigendom van hun echtgenoot op het moment dat de ceremonie is voltrokken.
Zelf heb ik door kunnen studeren en ben ik altijd voor mijn mening uitgekomen,' zegt Lucy met kracht. 'Er is geen mogelijkheid dat ik me als Masai-vrouw in een keurslijf zou laten duwen. Ik heb wel een dochter, maar een huwelijk had nooit gewerkt. Mijn aanstaande echtgenoot vond me als journalist te onafhankelijk, dus die relatie was snel beëindigd. Soms heb ik wel medelijden met mijn dochter. Ze is vaak alleen omdat ik voortdurend aan het werk ben en rondreis. Maar aan de andere kant kan zij bewuster opgroeien dan ikzelf. Ze weet dat zij -- ze is nu veertien -- de leeftijd heeft waarop veel meisjes moeten trouwen. Ze hoort de verhalen over negenjarigen die worden uitgehuwelijkt aan oude mannen en gedwongen worden om kinderen te krijgen. Ze stelt vragen en natuurlijk raakt ze soms geschokt door wat ze hoort, maar aan de andere kant moet ze leren wat er in haar omgeving gebeurt. Dat is nou eenmaal het leven.'

De pot met goud
'Ik heb nog één doel in mijn leven. Ik zou heel graag werken voor de Verenigde Naties of voor een andersoortige organisatie waar ik werkelijk middelen heb om mijn werk te doen. Het is zo beperkt waar ik nu toe in staat ben. Ik zou zo graag geld hebben om het aan de verschillende gemeenschappen te kunnen geven, zodat ze hun eigen activiteiten kunnen organiseren en boven hun armoede uit kunnen stijgen. Zodat inheemse vrouwen iets op kunnen bouwen, waardoor ze uiteindelijk in hun eigen inkomen kunnen voorzien. Het zou geweldig zijn als zij niet meer voor alles wat ze willen van hun man afhankelijk zijn: als ze zélf het schoolgeld voor hun kinderen kunnen betalen, als ze hun dochters niet voor het huwelijk weg hoeven te geven omdat hun echtgenoot de bruidsschat wil innen. Nu is het zo dat een man kan zeggen: "Waarom zou ik een dochter naar school sturen? Dat kost alleen maar geld. Waarvan moet ik haar kleden en voeden?"
De herders- en jagersgemeenschappen zijn polygaam. De mannen kunnen zoveel vrouwen nemen als ze willen en die vrouwen dwingen zoveel mogelijk kinderen te krijgen. Omdat de vrouwen geen opleiding krijgen, blijven ze naïef en komen ze niet in opstand als ze worden uitgehuwelijkt aan een veel oudere man. Ze weten niet beter. En op het moment dat hun echtgenoot sterft, of een nieuwe vrouw kiest, dan kunnen ze het verder vergeten.'

Niet-aflatend verzet
'Ik ga door met mijn werk, wat er ook gebeurt en al moet ik me iedere keer opnieuw bewijzen,' zegt Lucy en ze zit er onverzettelijk bij. 'Het zijn de kleine vooruitgangen die ik en andere NGO's boeken, die me de kracht geven om door te gaan. Zo kon ik in 2002, als enige vrouw, plaatsnemen in de Nationale Milieuraad, een adviesorgaan voor de regering. Daar werd naar me geluisterd. Daar werd ik om mijn kennis gerespecteerd en kon ik kwesties aan de kaak stellen. Ik stelde regeringsambtenaren voor het blok: welke inheemse volkeren hebben jullie ooit bezocht? Niet één? Jullie representeren ook die inwoners van het land en toch blijven jullie op je kantoor zitten? Al heb ik lang niet alles bereikt wat ik wilde, ik kon in die raad in ieder geval de beleidsvorming een beetje beïnvloeden. Ik kon mensen wakker schudden.
Binnen de inheemse gemeenschappen heb ik al veel vrouwen bewust kunnen maken van hun eigen mogelijkheden. Ik heb aan de basis gestaan van de vorming van een aantal NGO's in die gemeenschappen, die nu op eigen benen staan. We boeken vooruitgang. Langzaam maar zeker. We zorgen ervoor dat meisjes een opleiding kunnen volgen. We strijden tegen de rituele vrouwenbesnijdenis en als een meisje wordt uitgehuwelijkt, vechten we voor haar onafhankelijkheid. Steeds meer inheemse volkeren staan op en demonstreren tegen het onrecht dat hen wordt aangedaan. Ze komen op voor hun rechten -- voor hun land en voor het behoud van hun kennis.'
In Zuid-Afrika bijvoorbeeld won de jagersgemeenschap San een rechtszaak tegen de farmaceutische fabriek Pfizer die een aftreksel van de Hoodia-plant had gepatenteerd. De plant vormt een voedingsbasis voor het bestaan van de San. In Kenia hebben de Ogiek inmiddels de regering aangeklaagd om de illegale houtkap te stoppen in het Mau-bos, het land van hun voorouders.
'Ik ben er trots op,' zegt Lucy, 'dat ik één van de mensen ben die de inheemse gemeenschappen tot verzet hebben aangemoedigd. Maar achteroverzitten en genieten van wat ik bereikt heb, zal ik nooit kunnen. Als leider in de strijd moet je altijd blijven vechten.'


Lucy Mulenkei (Narok, 1958) werkte zestien jaar als journalist voor verschillende radiozenders zoals Deutsche Welle en UN Media. Ze stond aan de basis van verschillende NGO's, zoals het Indigenous Information Network, de Indigenous Peoples' Caucus for a Sustainable Development, de African Indigenous Women's Movement en de Indigenous Women's Movement. Lucy is een belangrijk vertegenwoordiger van de rechten van inheemse volkeren op conferenties over de hele wereld. Ze publiceert talloze artikelen over het onderwerp en geeft allerlei voorlichtingsmateriaal uit, zowel voor de inheemse volkeren zelf als voor media, regeringsambtenaren en wetenschappers. Een van haar periodieken is Nomadic News.

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2004

Dit gesprek is gepubliceerd in Vrouwen die de wereld veranderen.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 633 0