Fragment:
Hard seats
Twee uur lang sta ik, snakkend naar adem, ingeklemd tussen Max, de deur
en honderden mensen die zich voortdurend langs elkaar heen wringen naar
voor, naar achter. Waar ze heen willen, is me een raadsel. Een plaatsje
zoeken heeft nu weinig zin.
Dan gebeurt er iets onverwachts. Mensen pakken mijn arm vast en beginnen
aan me te trekken. Max probeert me nog tegen te houden, me los te rukken,
maar de handen houden vast. Langzaam maar zeker kom ik naar voren, steeds
weer andere vingers pakken me vast en trekken. Ik schuif langs vriendelijk
lachende gezichten die me toeknikken en Chinese groeten toewensen. Max zorgt
ervoor dat hij achter me blijft lopen. Om me niet kwijt te raken houdt hij
mijn rugzak vast.
Ik kom waarachtig zover als de deuropening die de wagon van het halletje
scheidt. De man die naast me staat zegt iets tegen me en wijst. Op de eerste
bank van de wagon is een plaatsje vrij. Twee Chinese vrouwen zitten dicht
tegen elkaar aan. Ze kijken me vriendelijk aan. Een van hen slaat met haar
hand op de vrije plaats.
Ik kijk om me heen. Er bevinden zich werkelijk honderden mensen in deze
wagon. Ik zou nooit voor mogelijk gehouden hebben dat zoveel mensen in een
dergelijke ruimte passen. Op elk tweepersoonsbankje zitten drie tot vier
mensen. Tussen hun benen en boven hun hoofden in de rekken liggen grote
tassen, zakken en pakken bagage. Moeders hebben kinderen op schoot. In het
gangpad zitten mensen dicht tegen elkaar aangedrukt. Anderen staan of hangen
half tegen de bankjes. Alle ogen zijn op mij gericht.
Wil niemand anders deze vrije plaats? Een zwangere vrouw zit op de grond.
Zij zou hier moeten zitten. Of een van de oude heertjes die verderop zitten
te roken. Er zijn hier zoveel mensen die deze plaats harder nodig hebben
dan ik. Maar nee, ik krijg de plaats en ik moet en zal er zitten. Weigeren
zou een belediging zijn. Iedereen moedigt me aan. Ik krijg een laatste zetje
in de goede richting. Nog een stap en ik ben er.
Max komt als een bodyguard schuin achter de bank staan. Ik neem mijn rugzak
op schoot en plof neer. Zitten. Ik had geen idee dat dat zo'n luxe kon zijn.
Nu pas voel ik hoe gespannen mijn benen zijn.
Iemand trekt aan mijn rugzak. Ik schrik, maar de bedoeling is goed. Voor
me zit een zwaar opgemaakte jonge vrouw met hoog opgestoken haar. Ik heb
al wel een aantal opgemaakte Chinese vrouwen gezien, maar dit is opvallend.
Ze heeft haar oogleden tot aan haar smalle wenkbrauwen lichtblauw geschilderd.
Haar lippen zijn glimmend roze gestift en op haar ronde wangen zit een dikke
laag poeder. Ze zit tegen een man geleund die omhoog wijst. In het bagagerek
boven ons hoofd is een klein plaatsje vrij. Groot genoeg om mijn rugzak
tussen te wringen.
Nu zit ik echt comfortabel. Voor zover de harde bank dat toelaat. Ik moet
wel wennen aan de geur die in de wagon hangt, de reuk van veel mensen in
een kleine ruimte. Het is een eigenaardige, muffe mengeling van zweet, knoflook,
etensresten en warme kleding.
Iedereen schiet naar voren, naar achteren, valt over elkaar als met een
schok de trein stopt. Station. En waar een station is zijn reizigers. Niemand
van onze wagongenoten hoeft hier uit te stappen. Gelukkig maar, want de
vraag is hoe ze dat klaar zouden moeten spelen. Wel staan er buiten op het
perron veel wachtenden die de wagon nog in willen.
Nu kunnen we het gebeuren van de andere kant gadeslaan. Voor ik het weet
sta ik zelf mensen door de ramen naar binnen te trekken. Ik ben groter dan
de rest en kan daardoor makkelijker de wachtenden van buiten omhoog hijsen.
Zodra ik ze naar binnen heb getild, nemen anderen de nieuwe reizigers van
me over en schuiven ze door naar achteren.
Juist als ik de laatste persoon aan de man achter me heb doorgegeven en
aanstalten maak om weer op mijn plaats te gaan zitten, komen handelaren
de wagon binnen. Ze banen zich een weg door het gangpad. Hier en daar stappen
ze op een been of een arm, maar niemand maakt zich er druk over. Ondertussen
prijzen ze hun waren aan, luid roepend om de brommende treinmotor en het
gepraat van de mensen te overstemmen. 
Elke verkoper heeft een grote hengselmand aan zijn arm hangen. De manden
zijn boordevol geladen met etenswaar. Partjes geschild fruit. Zwartgekookte
eieren, een lekkernij die minder aangenaam ruikt. Bakjes rijst met groente.
En kip. Vooral veel kip. Kippevleugels. Kippepoten. Hele kippen die met
geknakte koppies over de rand van de mand hangen. Gerookte kip. Rauwe kip.
Noem maar op.
Max en ik hebben geen trek. Maar het lijkt erop dat we de enigen zijn. De
meeste reizigers kopen wel iets. Alle koopwaar vindt gretig aftrek. Na een
minuut of vijf begint de trein weer te stampen en te schokken. Het sein
voor de verkopers om te vertrekken. Buiten staat een man in een uniform
het aantal verkopers te tellen dat uit de trein komt. Heeft hij er genoeg,
dan sluit hij de deur.
Wie in de trein zijn ogen dicht doet, kan nog precies volgen wat er gebeurt.
Aan de kadans van de wielen op de rails is te horen hoe snel de trein gaat.
Treinfluiten geven aan wanneer een dorp wordt gepasseerd. En vooral over
de andere reisgenoten in de wagon ontgaat je geen detail. Hoesten en niezen
geven aan hoe stoffig de coupé is en waar de minder gezonden zitten.
De leeftijd van de baby's en jonge kinderen in de trein is te schatten door
het geluid van de verschillende soorten gehuil en gekrijs. Gesmak en geslurp
duidt op etende mensen. Zelfs wát ze eten is te horen: vlees wordt
van de botjes getrokken, Nootjes kraken tussen de tanden, kleine slokjes
klinken waar soep of hete thee wordt gedronken. Hier en daar besluit iemand
zijn maaltijd met een galmende boer. Uit het w.c.-tje klinken af en toe
bekende geluiden, gevolgd door het stromen van water en het soppende geluid
van voeten die over de vochtige vloer lopen. Snurkend slapen enkele mannen
met hun mond open en hoofd achterover. En wanneer iemand iets uit zijn bagage
nodig heeft klinkt het verschuiven van zware pakken en verontwaardigd gemompel.
In mijn knie boort zich een venijnige naald. De opgemaakte vrouw tegenover
me, probeert haar voeten naast me op de bank te leggen. Om ruimte te krijgen,
schopt ze met haar hoge hak tegen mijn benen. Natuurlijk heeft ze moeie
benen. Als ik naar haar hooggehakte schoenen kijk, doen mijn voeten ook
pijn. Maar ik vind dat ze plaats genoeg heeft. De plaatsen hier zijn zo
krap bemeten. Plek voor de benen van mijn overbuurvrouw is er domweg niet.
Zo gauw haar voet dicht genoeg in de buurt komt, stoot ik er tegen met mijn
knieën. De vrouw kijkt me met een volkomen uitdrukkingsloos gezicht
aan. En begint dan op volle kracht venijnig tegen mijn knieën te schoppen.
Totdat de man naast haar er iets van zegt. Even stopt ze en slaat haar ogen
neer. Geen twee minuten later liggen haar voetjes toch naast me op de bank.
Haar schoenen heeft ze gelukkig uitgetrokken.
De man tegenover me heeft een paar gerookte kippepoten gekocht. Ik raak
gefascineerd door de behendigheid waarmee hij ze eet. Genietend zit hij
te kanen. Knarsend hapt hij een teen af. Smakkend kauwt hij nauwkeurig het
vlees van de minuscule botjes. De kleine kippeteenkootjes spuugt hij voor
zich op de grond. Volgende teen.
Naast mijn bank staat opeens een klein kindje. Ik heb geen idee waar het
vandaan komt. Een handje ligt vertrouwelijk op mijn been. Een stralend gezichtje
kijkt naar me op. Plotseling zakt het kindje door zijn knieën. Het
is een jongetje zie ik nu. Zoals alle jonge kinderen in China zit in het
kruis van zijn broek een grote spleet. Doordat hij op zijn hurken zit, steekt
zijn piemeltje naar buiten. Hij blijft me maar aankijken. Dan vertrekt zijn
gezicht.
Nee toch, dat gaat hij toch niet doen?
Jawel. Tussen de voetjes van het kereltje vallen verbazingwekkend grote
keutels voor zo'n klein lijfje.
Wat maakt het ook uit. Trots lacht het kindje me toe. Hij staat op en kijkt
eens tussen zijn benen om te zien wat hij gepresteerd heeft. Tevreden met
het resultaat loopt hij weg, naar een vrouw die aan de andere kant van het
gangpad zit. Haar gezicht is zacht en rond. Ze praat lief tegen het jongetje
en trekt hem op schoot. Het jochie lacht nog eens naar me.
Jesse Goossens, Met de trein door China
Eerste twee drukken:
Uitgeverij Bzztôh, s-Gravenhage, 1994
ISBN 90 5501 010 3
Derde druk:
Muntinga, 2001
ISBN 90 5795 108 8