Uitgeverij Bzztôh, s-Gravenhage, 2000
ISBN: 90 5501 807 4
Fragment:
Nu stond ik al voor de derde dag achtereen voor de paarse deur van de
Vijzelvilla. Het was even guur en miezerig als de dagen ervoor, maar deze
keer werd ik tenminste verwacht. Op mijn bellen kwam vrijwel direct iemand
naar beneden stommelen, en toen de deur voor me werd opengetrokken, stond
er een lange jongen met verwarde bos donker krulhaar en een bleek gezicht
voor me. Ik herkende hem direct van de beschrijving die Naomi van Nora's
medestudent had gegeven.
'Jij bent toch geen journalist, hè?' vroeg hij.
'Nee, en ook geen Jehova, dat had Celia al gevraagd.'
'Celia? Ben je hier voor Celia?' Hij keek geschrokken.
Ik schudde mijn hoofd. 'Ik kom voor jou. Jij bent toch Michiel? Ik ben Julia
Davids. Je had me nog gebeld.'
'O, jíj bent Julia. Ik had eigenlijk gedacht dat je nog wel even
zou bellen.' Met grote stappen ging hij de trap op. 'Trek je de deur achter
je dicht?' riep hij achterom. 'Ik vroeg me al de hele tijd af wie je nou
zou zijn.' Voor zijn kamer draaide hij zich naar me om. 'Maar ik herken
je nu... niet. Geloof ik.'
'Flink gefeest, gisteren, neem ik aan?'
Hij keek zo verward dat ik medelijden met hem had.
'We hebben elkaar nooit ontmoet. Ik wilde je alleen wat vragen stellen over
Nora.'
We liepen via de overloop langs Celia's kamer naar boven. Haar deur was
dicht. Ik keek op mijn horloge. Half elf.
'Staat Celia in de winkel?'
'Celia?' Voor zijn kamer bleef Michiel staan.
'Ik heb haar gisteren gesproken en toen moest ze ook werken, dus...'
'Celia is dood.'
Het was alsof een koude hand om mijn hart greep. 'Wát zeg je?'
'Celia is dood.' Hij liep naar binnen en ging op een stoel aan tafel zitten.
Ik plofte op de bank voor hem neer.
'Wat is er gebeurd?'
'Ik weet het niet. Of eigenlijk wel, maar niet precies, want ze moeten haar
nog onderzoeken.'
Ik wachtte af.
'Ik kwam gistermiddag thuis. Ik was jarig en er was allerlei post. Er was
ook een...' Hij aarzelde even. 'Celia kwam uit de winkel. We hebben thee
gedronken. Ik kreeg een zak met fruit van haar.' Hij gebaarde naar de tafel
waar tussen allerlei papieren wat appels en mandarijnen lagen. 'Ik ben na
een poosje gaan slapen. Ik had de hele nacht doorgefeest. Maar even later
kwam ze op mijn kamer.' Hij kneep zijn ogen stijf dicht. Er spatte een traan
uit zijn ooghoek. 'Ze voelde zich niet goed, zei ze. Ik dacht dat ze zich
weer eens aanstelde. Ze wil altijd aandacht van me, maar is nou niet echt
mijn beste vriendin, begrijp je?' Nu huilde hij echt. 'Toen rende ze de
gang in en ik hoorde haar overgeven. Ik ging kijken en zag dat er allemaal
bloed op de grond lag. Ik pakte meteen de telefoon en toen viel ze opeens
om, midden in al die kots en dat bloed. Terwijl ik de alarmlijn belde, draaide
ik haar om. Maar ik wist dat het gebeurd was. Ze was hartstikke dood...'
Hij snikte hevig. 'En toen kwam de ambulance, maar die wilde haar niet meenemen.
En de politie kwam en het duurde uren voor de lijkauto kwam.
Ik begrijp het gewoon niet. Eerst Vigo, nu Celia... Ik wil hier weg!'